Het Noaberpad: van Nieuweschans naar Ter Apel, 12-15 september 2008

WandelMagazijn > Het Noaberpad: van Nieuweschans naar Ter Apel

De tocht

Inleiding | Van Nieuweschans naar Bellingwolde | Van Bellingwolde naar Harpel | Van Harpel naar Sellingen
Van Sellingen naar Ter Apel | Van Munnekemoer naar Klazienaveen | Van Klazienaveen naar Schoonebeek
Van Schoonebeek naar Hoogstede | Van Hoogstede naar Tangenberg | Van Tangenberg naar Agelo

Eerste pagina van deze tocht | De foto's
Inleiding

Een jaar ouder, een nieuw wandelpad: het Noaberpad, van de Dollard naar de Rijn: een wandelroute van 363 kilometer over de grens met Duitsland, door Groningen, Drente, Overijssel en Gelderland. In het graafschap Bentheim tussen Drente en Twente, in het Munsterland ten noorden van Winterswijk, rond Bocholt en bij Emmerich loopt het pad door Duitsland. Het Noaberpad geeft de wandelaar de gelegenheid de grensstreek te leren kennen en kennis te maken met de Noabers, voor wie grenspalen nooit een onneembare barrière waren.

De Noabers, dat zijn de bewoners van de buurtschappen waarvan de wandelroute er vele aandoet. De traditionele burenhulp van de noaberschap is weliswaar niet meer wat hij vroeger was - auto en telefoon, internet en professionele zorg zijn er deels voor in de plaats gekomen. Maar in de streek langs de Duitse grens waar het Noaberpad door loopt, is nog veel van de rust, gastvrijheid en behulpzaamheid van buren onderling bewaard gebleven. En de wandelaar wordt er niet buitengesloten.

Het begrip noaberschap komt voor in het Saksische taalgebied langs de grens, tussen Groningen en de Rijn. Alleen schrijven ze in Groningen en Drente naober, in Gelderland en Overijssel noaber. Voor de naam van het pad is hier de zuidelijke schrijfwijze gekozen.

Van Nieuweschans naar Bellingwolde

Vrijdag 12 september 2008. Op een septemberdag waarop in Nederland noodweer wordt voorspeld, reizen we af naar Nieuweschans. Alleen het uiterste oostelijke puntje van Groningen zal het drooghouden, volgens Erwin Kroll en consorten. En nu maar hopen dat ze gelijk krijgen!

Hoe noordelijker we komen, hoe lichter de hemel. Voorbij Groningen, in het boemeltje naar Nieuweschans, breekt zelfs de zon door. Goed gedaan, dames en heren meteorologen!

Rond het middaguur komen we aan in een verlaten Nieuweschans. Geen mens op het station en ook aan de overkant van de weg, bij het restaurant in de oude tramremise, is geen teken van leven te bekennen. "Willen jullie meerijden?", wordt medelijdend geroepen vanuit een auto. Ze zien ons aan voor bezoekers van het kuuroord, waaraan Nieuweschans haar landelijke bekendheid ontleent. Zien we er zo oud uit?! Maar vriendelijk is het wel.

Terwijl wij op een bankje onze route bekijken, komt er beweging in de grote deuren van de tramremise. Het restaurant gaat open; dat komt goed uit. Zo beginnen we onze tocht over het Noaberpad met een lekker soepje en koffie op een zonovergoten terrasje, terwijl de bejaarde honden van de kastelein om ons, enige klanten, heenzwalken. De dieren hebben last van jeuk en rollen heen en weer in het gras. "Hun medicijnen zorgen voor verhoogde eetlust", waarschuwt de kastelein, terwijl hij het bestelde serveert. Lijkt het maar zo of heeft hij extra veel stokbrood bij de soep gedaan?

We gaan op pad. Tussen twee huizen door loopt een tegelpad omlaag, naar het Nieuweschansker Bos, een wat weidse benaming voor een groenstrook langs een kanaal. Over een houten brug steken we het Vereenigd of Boele Tijdenskanaal over. Een fraai bomenlaantje brengt ons in het hart van Nieuweschans. De boeddhabeeldjes voor het snuisterijenwinkeltje bij het kerkplein staan op de stoep - net als vier jaar geleden, toen we Nieuweschans voor het eerst bezochten. Over de dubbele Voorstraat - twee klinkerwegen gescheiden door een plantsoen - met zijn fraaie panden wandelen we het stadje weer uit, onder de snelweg door, de grasdijk langs het Tijdenskanaal op.

Na twee en een halve kilometer graspollen steken we bij de buurtschap Booneschans het water over en wandelen vervolgens door de Bovenlanden en Binnenlanden naar Oudeschans. De drie schansen herinneren aan de strijd tegen het water van de Dollard; de latere vestingwerken er omheen aan de onrustige periodes tussen tachtigjarige oorlog en de Franse tijd.

We wandelen over klinkerweggetjes en graspaden door het open agrarische landschap van het Oldambt met z'n uitgestrekte landerijen en kolossale boerderijen. De zon schijnt, er waait een frisse wind, de donkere regenwolken die de rest van Nederland bedekken, blijven ver weg aan de horizon en komen niet dichterbij. Is er een mooier begin van de wandeling denkbaar?

Oudeschans is in 1593 uitgebouwd van klein gehucht tot vesting door graaf Willem-Lodewijk van Nassau als verdedigingswerk in de strijd tegen de Spanjaarden onder leiding van kolonel Francisco Verdugo. Nog niet zo lang geleden zijn de contouren van de oude vesting weer zichtbaar gemaakt.

Het belang van deze schansen in de strijd tegen de Spanjaarden en twee eeuwen later tegen de Fransen wordt pas duidelijk, als je je de terreingesteldheid uit die tijd realiseert. Het oosten van Groningen en Drente bestond uit uitgestrekte en ondoordringbare moerassen. Er waren slechts enkele paden en zandruggen die als routes door dit onherbergzame gebied te gebruiken waren. Een schans - hoe onooglijk de lage dijken er in onze ogen ook uit mogen zien - op een strategische plek langs een toegangsweg was een onneembare barriere voor vijandelijke troepen.

Over een graspad met rechts water en links een langgerekt populierenbos dat ruist in de wind wandelen we richting Oudeschans. Een bruggetje over en verder door de weilanden. Onderweg een korte zonpauze. Heerlijk is het om midden op een weiland, met niets om je heen, even in de zon te liggen. Na een half uurtje wandelen we verder door het hobbelige land, waar een pad nauwelijks herkenbaar is. Zo bereiken we Oudeschans.

In Oudeschans bezoeken we het Kunsthuis in het midden van het dorp. Het Kunsthuis is gevestigd in een oud pand aan de Molenstraat en herbergt een galerie, een kunstuitleen en een theeschenkerij. Koffie met zelfgebakken appeltaart op het terras van de theeschenkerij. Er staat een prachtige druif langs de witgepleisterde gevel. Als ik er een opmerking over maak, mag ik gelijk plukken. "Neem zoveel als u maar wilt; we krijgen het anders toch niet op", is de vriendelijke uitnodiging.

Over de Oudeschanskerweg wandelen we naar Bellingwolde, waar we zullen overnachten. Op de velden langs de weg zijn de boeren druk bezig met de oogst van voederbieten. Hoge bergen geelwitte bieten liggen klaar voor transport. De Oudeschanskerweg is precies de scheidslijn tussen het goede en het slechte weer. Ten noordoosten ervan straalt de zon aan een strakblauwe hemel maar aan de andere kant van de weg, in het zuidwesten, dreigen donkere regenwolken. Dichterbij komen ze niet; op onze tocht langs de weg naar Bellingwolde zien we ze nauwelijks bewegen. Wel bijzonder, deze twee gezichten van het weer.

Bellingwolde is een streekdorp, in de Middeleeuwen onstaan op een zandrug, de scheidslijn tussen de klei van de Dollard en het veen in het oosten van het voormalige Boertangermoeras. Aan een langgerekte straatweg van vier kilometer lang liggen fraaie boerderijen met zo mogelijk nog fraaiere voorhuizen. Het noordelijk deel van Bellingwolde is van oudsher het 'rijke' deel en nog steeds ziet het er hier zeer welvarend uit.

Na twee kilometer over de straatweg komen we aan bij ons overnachtingsadres, tot voor kort Herberg Bellingwolde geheten, maar nu - sinds drie weken - overgenomen door nieuwe eigenaars en getransformeerd tot Hotel Villa De Thee Tuin.

We worden vriendelijk welkom geheten. Het hotel bevindt zich in een overgangsfase. Een nieuwe eigenaar, een nieuwe stijl. De begane grond is al gereed. Er is een nieuw restaurant ingericht in romantische stijl, met veel pasteltinten, riet en rozen. Onze kamer op de eerste verdieping is in groot contrast daarmee. Het is kennelijk bedoeld als eco-kamer: boven het bed hangt een grote plaat van smeltend poolijs en aan de muur daar tegenover muur hangt de kop van een ijsbeer. Pluche weliswaar, maar toch bijzonder! En duidelijk de smaak van de vórige hoteleigenaar.

We eten in het hotel. Voordat het zover is, kijken we buiten nog even rond. Wat verderop ligt een café annex snackbar. Tijd voor een biertje - nu het uit is met het gerook in de café's ben ik daar een stuk minder vies van. Aan de bar is het contact snel gelegd. Voor ieder biertje bedankt de barman vriendelijk op geheel eigen wijze: "namens vrouw, kinderen en rollator". Waar het fabeltje van de stugge Groninger toch vandaan komt!? Van die stugheid hebben wij bij onze bezoeken aan het Groningse tenminste nog nooit iets gemerkt. Het met glas afgescheiden rookgedeelte wordt hier het kippenhok genoemd.

Zeven uur, tijd om te gaan eten. Het hotelrestaurant ademt een prettige sfeer, niet in het minst door de aanwezigheid van de poes des hotels, een reusachtige siamees. "Hoe heet hij?", vragen we aan de ober. "Gewoon, kat", antwoordt deze, wat verbaasd. Want waarom zouten katten een naam moeten hebben? Het moge duidelijk zijn, de wortels van onze ober liggen niet in Nederland. "Hij loopt altijd verschrikkelijk in de weg", laat hij ons ongevraagd weten.

Terwijl wij eten, wandelt de poes op zijn dooie gemak door de eetzaal, de gasten observerend. Na enig gepsst komt hij naar ons toe en laat zich op z'n zij vallen om te worden geaaid. Als het genoeg is, trekt hij zich terug op een stoel aan een lege tafel.

Als een van de gasten daar na de maaltijd een krantje wil lezen, moet hij vertrekken. Dat gaat echter niet zo een-twee-drie. De eigenares van het hotel moet er aan te pas komen om het dier weg te tillen. Nu horen we ook z'n naam: Ming. "Hij is naar een vaas genoemd". Vandaar dus die hooghartige blik! Lees verder ...