Terug naar het Springendal, 2-3 februari 2007

De Slodinos > Terug naar het Springendal

De tocht

Eerste pagina van deze tocht | De foto's

We zijn de laatste tijd in een nogal nostalgische stemming wat het uitzoeken van wandellocaties betreft. Dit weekend herhalen we opnieuw een tocht uit ons wandelverleden, de Springendaltocht van Twente Natuurtochten, die wij op 16-17 mei 1992 maakten.

In onze herinnering leeft deze tocht voort als een heel mooie, de weersvoorspelling voor het komend weekend is goed, alle oude voet-, knie- en beenblessures zijn over - als het openbaar vervoer ons niet in de steek laat, kan het alleen maar goed gaan! "Kom niet te laat", staat op het kaartje dat we van Marianne ontvangen. Een overbodige waarschuwing, want we hebben er echt zin in!

Met trein en bus reizen we naar Vasse, waar de wandeling begint. Net als wij aan komen lopen, rijden Marianne en Dorothée de parkeerplaats van hotel Tante Sien op.

Natuurlijk gaan we eerst koffie drinken bij Tante Sien, het roemruchte hotel waar wij vijftien jaar geleden overnachtten. Het hotel is - natuurlijk - veranderd. Vroeger was er voor het hotel geen parkeerplaats, nu wel - uitpuilend met grote glimmende bakken. Op mijn oude dia's is voor het hotel een grintstrook te zien met een terras met witte plastic stoelen. Het lijkt alsof nu de weg een stukje is verlegd om ruimte te maken voor parkeerplek. Zonde, hoor!

Ook binnen is het een stuk sjieker geworden, maar de koffie en de Arretjescake zijn nog steeds even lekker! Veel mensen zullen zich deze cake nog wel van vroeger herinneren. Het belangrijkste ingrediënt is biscuit, een mooie manier dus om kapotte koekjes een nieuwe kans te geven. Weggooien, dat deden ze vroeger niet! Je hoort wel eens vertellen dat Arretjescake een verbastering is van armencake, maar dat is niet zo. De naam is afkomstig van de (strip)figuur Arretje Nof, hoofrolspeler in de gelijknamige geïllustreerde reclamereeks van de Nederlandsche Olie Fabrieken. De wondere avonturen van Arretje Nof werden vanaf 1928 geschreven door Johan Fabricius. Arretje Nof was een Arabisch jongetje dat spannende avonturen beleefde. Het Arabiertje Arretje - hoe bedenk je het - had als tweede naam de afkorting van de Nederlandsche Olie Fabrieken, tegenwoordig beter bekend onder de naam Calvé.

Na koffie, cake en bijpraten gaan we op pad. Marianne heeft de route van vijftien jaar geleden aangepast vanwege andere overnachtingsplaatsen. Vandaar dat we nu vanuit Vasse starten en niet, zoals in 1992, vanuit Ootmarsum.

We wandelen Vasse uit, steken een provinciale weg over en zoeken tussen twee panden het smalle voetpad over de Mander-Esch. Langs boerderijen en kleine bosgebiedjes - bosstroken zijn het eigenlijk - gaat het verder noordwaarts. We passeren een kleine kapel. Maria in een hemelsblauw betegeld koepeltje. Twente is katholiek en dat is langs de weg regelmatig te zien.

In de bossen is het een ravage van jewelste. In de krant lezen over de schade die de januaristormen hebben aangericht is één ding, het met eigen ogen aanschouwen is toch heel iets anders! We zien massieve beuken van een halve meter dik die als luciferhoutjes zijn afgeknapt.

De Watermolen van Frans ligt even voor die van Bels. De molen wordt omringd door het prachtige landschap van het dal van de Mosbeek, tegen de Duitse grens aan. De vele holle weggetjes, de essen en de beken geven dit gebied een Zuid-Limburgs voorkomen.

Tot het eind van de negentiende eeuw was de Watermolen van Frans een papiermolen. De Zwolse eigenaar wilde er vanaf en Opa Frans, zoals de eerste telg uit de molenaarsfamilie Frans liefkozend wordt genoemd, nam de molen over. Hiertoe moest hij wel een concurrentiebeding ondertekenen waarin hij bezwoer de eerste honderd jaar geen papier te vervaardigen. Het moest een gewone korenmolen worden. En dat is ook gebeurd. Opa Frans heeft daarbij dankbaar gebruik gemaakt van het water van de Mosbeek. Daarmee heeft hij de watermolen aangedreven. Tegenwoordig is in de molen een natuurinformatiecentrum gevestigd. Wij maken van de gelegenheid gebruik om even een boterhammetje te eten op het bankje bij de naastliggende vijver.

We vervolgen onze weg over een smal pad dat tussen wei- en hooilanden door omhoog loopt. We passeren een kleine paddenpoel en komen langs een hedera die overvloedig bessen draagt. Marianne staat er lang bij stil. "Nog nooit eerder zoveel bessen aan zo'n struik gezien", zegt ze. Het pad gaat weer omlaag, naar de volgende molen - die van Bels.

De bovenslag watermolen van Bels maakte oorspronkelijk deel uit van een florerende papierindustrie. Samen met enkele andere molens in dit gebied werd onder meer uit lompen en linnen papier gefabriceerd. Toen in deze industrie de klad kwam, werden de betreffende molens afgebroken of omgebouwd tot korenmolen, zoals bij Bels. De molen werd in 1727 op de Mosbeek gebouwd en 120 jaar later werd op de rechteroever een cichoreimolen toegevoegd. Na 1914 werd de cichoreimolen korenmolen en de korenmolen werd uiteindelijk restaurant. De molen is nu min of meer in ere hersteld en in het gebouw is nu een permanente expositie te zien. Ook al zijn we hier niet voor het eerst, we stappen er toch even binnen.

Rondom de molen is een hele dierenboerderij ontstaan. Het begint met de twee hondjes van de boer, die op ons af komen rennen. Onder een kruiwagen koesteren twee poezen zich in de zon. In de mooi gerestaureerde schuur doet een paard zich rustig te goed aan wat hooi en even verderop zitten Vlaamse reuzen in kleine hokken.

Het dal van de Mosbeek kent een lange ontstaansgeschiedenis. Twente was enkele miljoenen jaren geleden een ondiepe zee. Later kwamen de ijstijden, die een belangrijk stempel drukten op het landschap. Enorme ijsmassa's schoven zand, leem, en grind voor zich uit. Zo ontstonden de stuwwalcomplexen van Ootmarsum en Vasse, met als hoogtepunten de Kuiperberg en de Galgenberg, waar we nu naar toe lopen.

Na de ijstijden werd het klimaat milder en het gebied werd door de mens beetje bij beetje in cultuur gebracht. Dat ging niet eenvoudig, want er waren veel natte plaatsen in het dal. De weinige droge plaatsen werden gebruikt om te wonen en om gewassen als rogge en spelt te verbouwen. Op deze manier ontstond een fijnmazig patroon van dorpen, landbouwgronden, houtwallen, heidevelden en natte hooilanden. Aan deze vorm van landbouw dankt het dal van de Mosbeek zijn kleinschalige karakter.

Even voorbij de molen komen we op een bijzondere plaats: het Hunebed van Mander. Op het informatiebord lezen we: "Ongeveer 5000 jaar geleden werd Twente bewoond door een landbouwende bevolking. Hun naam is ons niet overgeleverd; noodgedwongen noemen wij hen naar een karakteristieke vorm van hun aardewerk de Trechterbeker-cultuur. Van dit volk zijn her en der in Twente resten van nederzettingen, graven en offers bekend. Zij begroeven hun doden niet alleen in eenvoudige grafkuilen, soms bouwden zij met zwerfkeien grafkelders: de hunebedden. Uit Twente is slechts dit ene - bij toeval ontdekte - hunebed bekend.

Het Hunebed van Mander bestaat uit een aarden heuvel met grafkelder. Grote keien zijn in twee evenwijdige rijen in de bodem ingegraven. Dit zijn de keien die de dekstenen dragen. Over dit stenen bouwwerk wierp men de grafheuvel op. Daardoor werd de stenen grafkelder aan het gezicht onttrokken. In 1957 is het hunebed opgegraven. Afgaand op de bijgaven - de geschenken die de overledenen meekregen op hun reis naar een andere wereld - zijn er enkele honderden doden in dit hunebed begraven."

We wandelen over de Noordelijke Manderheide - tegenwoordig meer bos dan heide. Ongeveer 5000 jaar geleden vestigden zich hier roofbouw plegende boeren. Ze voorzagen zich van akkers door stukken bos in brand te steken en in de as de meegebrachte zaden te strooien. Na enige jaren raakte de grond uitgeput en trok men naar een nieuwe plek, waar het ritueel zich herhaalde. Op de voedselarme akkers ontstonden heidevelden die na de uitvinding van de kunstmest het ene na het andere werden omgeploegd of bebost. Over slingerende bospaden lopen we door dit mooie gebied. Op de grens met Duitsland is een diepe afgraving. Aan het eind daarvan passeren we een oude grenspaal, nummer 85, daterend uit 1824. Met een grote bocht draait het pad weer Nederland in en begint wat te stijgen. We naderen de Galgenberg.

Tot het begin van de negentiende eeuw was deze berg de plaats waar ter dood veroordeelden werden terechtgesteld. Nu is het er heel wat vreedzamer. Wij eten er in alle rust een boterham, gezeten op een bankje met prachtig uitzicht naar het westen waar het nog steeds herkenbare brede oerstroomdal zich van hier tot de heuvels van Salland uitstrekt. Vijftien jaar geleden zaten wij op precies ditzelfde bankje; ik zag het aan de dia die ik er destijds van maakte.

We naderen nu het dal waarnaar onze tocht is genoemd. Onderweg komen we langs een boer die, onder andere, geveltekens verkoopt. Het is een plek die we allemaal herkennen: vijftien jaar geleden kochten wij er de geveltekens die nu nog boven de deur in onze keuken hangen.

De boer heeft de afgelopen vijftien jaar de zaken wat uitgebreid. Behalve geveltekens verkoopt hij nu ook zelfgemaakte hokken voor konijnen en vogelhuisjes. Onder het afdakje aan de boerderij zien we ook lijstjes met - zo te zien ook zelfgemaakte - gedichten, die voor een paar dubbeltjes te koop zijn.

Een bordje attendeert ons er op dat we in het Springendal zijn. Dat waren we eigenlijk al lang, want het door Staatsbosbeheer beheerde natuurgebied tussen Vasse en Ootmarsum is maar liefst 335 hectare groot. Het beslaat het op de stuwwal gelegen cultuurlandschap met afwisselend bos, heide, schraalgraslanden, akkers, bronnen, beekjes, vijvers en boerderijen. Vooralsnog zien we niet veel van die afwisseling. Het is een kaalslag! De storm van januari heeft hier verschrikkelijk huisgehouden. Hele bospercelen liggen tegen de vlakte. We wandelen langs een stronk van een door de storm gevelde boom die een middellijn van meer dan een meter had! Ik heb nog niet eerder zó'n ravage gezien.

Wat verderop zien we gelukkig ook het Springendal in ongeschonden staat. Het is een prachtig gebied. We wandelen het bos uit en komen op een uitgestrekte vlakte met weilanden en akkers. De zon breekt door en even lijkt het wel voorjaar. Mijn verkoudheid, die ik net een beetje aan het 'weglopen' was, keert even terug in de vorm van een enorme hoestbui waar geen eind aan lijkt te komen. Gelukkig zijn we dichtbij onze volgende pleisterplaats Theehuis Dennenoord, een kilometer ten westen van het plaatsje Nutter. Een potje Weer-en-Wind-thee (zo heet het echt) brengt me er weer helemaal bovenop.

Door het afwisselende essenlandschap lopen we naar het Vasser Grafveld. Op dit grafveld, van grote archeologische betekenis, liggen verschillende grafheuvels die terug gaan tot de Jonge Steentijd, van 2850 tot 2200 vóór de jaartelling. De zon nadert ondertussen de horizon en zet het stille gebied met heuvels, heide en berken in een warm licht.

Terwijl het langzaamaan donker wordt, lopen we de laatste kilometers naar Ootmarsum. In het stadje is het even zoeken naar de straat waar ons pension ligt. Gelukkig heb ik met de OV-planner een plattegrondje geprint; dat komt nu mooi van pas. We overnachten in mooie sfeervolle kamers in het centrum van Ootmarsum, pal achter één van de vele kerken die het stadje rijk is.

In Ootmarsum waren we in het verleden vaker. Op onze avondwandeling halen we dan ook heel wat herinneringen op. We drinken een glas in ons oude stamcafé. Glühwein uiteraard - ook al weer net als destijds.

We lopen nog even langs ons oude hotel De la Poste, waar we destijds tussen Kerst en Oud en Nieuw logeerden. Ze hebben een nieuwe slogan: "Een kleine ingang, maar een grootse keuken". Voor de rest lijkt alles er nog bij het oude gebleven, inclusief de inderdaad wat smal ogende voordeur. Gek, dat smalle was ons vijftien jaar geleden niet opgevallen.

Na een gezellige maaltijd bij de Chinezen van de Lange Muur keren we terug naar onze gastvrije pensionhoudster en kruipen lekker tussen de lakens voor een welverdiende nachtrust.

De zondag begint met een wandeling door Ootmarsum. Het stadje is de afgelopen jaren flink veranderd en dat is bij daglicht goed te zien. Het is een stuk sjieker geworden. De oude slogan "Ootmarsum, het stadje dat zo enig en anders is", zien we dan ook nergens meer terug. Wat we wel zien, zijn dure winkels, gerestaureerde gevels, grote glimmende auto's in de straatjes. "Ootmarsum is het Laren van Twente geworden", denk ik bij mezelf.

We lopen het dorp uit, steken de weg over en gaan het Nuttersevoetpad op. We lopen hier over een hoge es. Ter hoogte van een bruggetje zien we links een klein erosiedal, het Ribbert. Het is een oud erosiedal uit de voorlaatste IJstijd. Nu groeit er hoog gras; vroeger was het een orchideeënweide, las ik in het oude routeboek.

Een stukje verderop is het even zoeken naar de juiste weg. Niemand van ons die zich nog goed herinnert hoe we vijftien jaar geleden gelopen zijn - op zich niet verwonderlijk natuurlijk! Bij een apart gevormd elzenbosje kunnen we met behulp van de kaart zien dat we goed zitten. We wandelen door het gehucht Nutter, een verzameling van verspreide boerderijen, en komen tenslotte weer in het Springendal.

Nog geen honderd jaar geleden was er in Twente maar heel weinig bos te vinden. Het beperkte zich tot de kerkebossen en de bossen die zich in de nabijheid van adellijke landgoederen bevonden. Hierin kwam verandering toen in de vorige eeuw de landbouwcrisis uitbrak. Veel boeren werden door de slechte tijden gedwongen delen van hun grond te verkopen. In dezelfde tijd bloeide in Twente de textielindustrie. Rijke textielfabrikanten kochten de gronden op en lieten ze bebossen voor de houtopbrengst en voor de jacht. Zo is ook het natuurreservaat Springendal ontstaan.

Midden in het Springendal ligt Erve Meerbekke, een monumentale Twentse boerderij. De boerderij is gebouwd in 1771; het voorhuis is in 1834 nog eens ingrijpend verbouwd. Het vakwerk en de eikenhouten topgevels zijn typisch Twents. De grote oogstdeuren hebben een stiepel, een uitneembare middenpaal, die wordt bekroond met een stiepelteken, dat kwade geesten moest afweren.

In het routeboek lezen we daarover een aardig verhaaltje: "Een boerenknecht zei na menig glaasje gedronken te hebben dat hij de witte wieven wel eens mores zou leren. Hij spoedde zich naar de plaats waar de witte wieven zich ophielden, gooide hen een vlijmscherpe haarspit toe (dit werd gebruikt door de boeren om hun zeis te slijpen) en schreewde: Witte wieven wit, hier breng ik oe een spit, zeej dai't gebroa d're bie kriejt. De knecht moest her daarna op een lopen zetten want de witte wieven vlogen hem achterna. Nog net kon hij de boerderij bereiken en op het moment dat hij de niendeur doorging, gooiden de witte wieve hem het haarspit achterna dat trillend in de stiepel bleef steken. Vandaar dus de bescherming biedende betekenis."

Marianne wijst naar één van de schuren van de boerderij. Daar is iets vreemds aan de hand. Terwijl we er naartoe lopen, zien we wat er gebeurd is. Tijdens de januaristorm is een reusachtige beuk omgewaaid en op de schuur gevallen. Het gebouw is bijna doormidden gespleten! Aan opruimen is men kennelijk nog niet toegekomen.

Langs een reeks bronvijvers lopen we verder. Ook hier heeft de storm huisgehouden. De paden zijn weer begaanbaar gemaakt, maar de vele vers afgezaagde stronken langs de weg zijn stille getuigen van het natuurgeweld. We dalen af in een kleine vallei. In het grasland, waar in het voorjaar de orchideeën bloeien, bevinden zich enkele bronnetjes. De kleine stroompjes uit deze bronnen verenigen zich wat verderop in de Springendalse Beek.

We wandelen naar de grens met Duitsland. Daar ligt de Paardenslenkte, één van Twente's mooiste heidegebieden. Op de grens ontmoeten we een echtpaar met twee leuke honden. Er moet even gespeeld worden, het kan niet anders. De hondenliefhebbers slaan af, wij gaan rechtdoor, langs een grote keisteen de heide op. Ook hier in het grensgebied is het weer even goed zoeken naar de juiste route - die in vijftien jaar natuurlijk best wel eens verlegd kan zijn. Door globaal de goede richting aan te houden, komen we tenslotte bij ons doel uit: de Gaststätte zum Lönsberg. Alhoewel ik me het gebouw niet meer herinner, ziet het er van binnen uit alsof er in geen decennia iets is veranderd. Het is donkerbruin eikenhout wat de klok slaat. Houden zo, er is al genoeg plastic in de wereld!

Na koffie met gebak lopen we een stukje door Duitsland. Ondanks goed zoeken en turen op een wat onduidelijk kaartje lopen we vanaf hier bij herhaling verkeerd. De eerste keer brengen andere wandelaars ons weer op het juiste pad. De tweede keer lijkt het aangegeven pad gewoon niet meer te bestaan. We snijden een stukje af door het bos en komen op een plek waar we ons weer kunnen oriënteren - denken we. Bij de afgraving waar we gisteren ook langsliepen, lijkt het erop dat we de juiste route weer hebben gevonden. Of toch niet helemaal? We dalen af, de afgraving in en klimmen aan de andere kant weer naar boven. Daar moet een lang recht pad zijn, maar helaas - hoe we ook zoeken, géén pad.

Na wat heen en weer lopen, besluiten we de route van gisteren maar een stuk te volgen. Het is een geluk dat beide routes soms heel dicht langs elkaar lopen (zoals hier).

Bij de provinciale weg gekomen, pikken we de route naar Vasse weer op. Zelfs op dit laatste stukje gaat het nog fout; een pad door de weilanden blijkt niet meer te bestaan. Uiteindelijk zien we, via een ander karrespoor, de toren van Vasse in de verte opdoemen.

We drinken nog wat bij Tante Sien op de goede afloop en keren dan met bus en trein terug naar huis. Ondanks het wat moeizame laatste stuk was het weer een fantastisch wandelweekend. Als vanouds! Net als de vorige keer hadden we geen van allen veel herinneringen aan de eerste keer dat we deze tocht liepen, behalve dan dat het leuk was. Ook de oude foto's die ik van te voren heb bekeken, brachten weinig oude herinneringen terug. Het geeft in ieder geval aan dat het dus helemaal geen punt is om na een aantal jaren eens een route te herhalen.

Delen van bovenstaande tekst zijn in enigszins aangepaste vorm overgenomen uit het routeboekje Springendal-wandeltocht van Twente Natuurtochten (tegenwoordig Van Paridon Reizen geheten) en van informatieborden in het Springendal.