Centraal-Azie, 5-17 augustus 2006

Reismagazijn > Centraal-Azië, of: twee tickets naar Frankfurt

De reis

Vooraf | Een lange aanreis | Een bus verdwaald op een vrachtwagen |
Eerste wandeling | Eerste rivierdoorsteek | Eerste kampeerplek |
Naar het Rijk van de Witte Luipaard | In het Paardendal |
Rivieren als zilveren linten | Afdaling in het Ulama-dal | "Niet praten met de bevolking" |
Naar het Sarichelek Meer | Een lastige beklimming | Een ongeluk zit in een klein keteltje |
Te paard door de bergen | Misstap | Het relaas van de reisgenoten |
De laatste trekkingdag | Afscheidsfeest |
Met de truckbus naar Osh |
Grensovergang | Eindpunt Tasjkent |
Zoektocht naar een kliniek | Twee tickets naar Frankfurt |
Voor de verandering een rustige dag |
Terugreis | Naschrift

Eerste pagina van deze reis | De foto's
Naar het Sarichelek Meer

Zesde dag, donderdag 10 augustus 2006. Vandaag staat de wandeling naar het Sarichelek Meer op het programma. De naam van dit meer heeft bij ons intussen al een legendarische klank gekregen. Het wordt wel het mooiste en schoonste meer van Centraal Azië wordt genoemd. Het ligt in het gelijknamige nationale park, op een hoogte van ongeveer 1850 m en meet ongeveer zeven bij anderhalve kilometer.

Een lastige beklimming

Met mooi weer wandelen we met een grote boog in oostelijke richting door de vallei. Langzaam stijgt het pad naar de voet van een hoge bergrug. Verraderlijk vals plat. Ik begon de tocht optimistisch, in een flink tempo, maar moet nu toch al gas terugnemen. De conditie die gisteren even terug leek van weggeweest, is toch nog niet je dat ... De zon stijgt boven de bergkam uit en zet de bergweiden rondom ons in een prachtig warm-geel ochtendlicht. Dat plaatje is echter van korte duur. De zon stijgt snel, en daarmee ook de temperatuur. De eerste zweetdruppels verschijnen alweer.

Terwijl ik mezelf moed inspreek, gaan we omhoog, zig-zaggend over een smal schapenpad. De helling is behoorlijk steil en regelmatig stoppen we even om op adem te komen. Adembenemend is niet alleen deze helling, maar zijn als we enkele honderden meters gestegen zijn, ook de uitzichten. Achter het groene dal beneden ons liggen imposante violet-paarse bergketens, waarvan de hoogste toppen zelfs nu, midden in de zomer, nog in sneeuw gehuld zijn.

We moeten ongeveer 1000 meter stijgen. De laatste loodjes wegen het zwaarst. Het pad houdt op en het is niet duidelijk welke kant we op moeten. We kijken omhoog naar een helling met verschillende toppen. Tussen twee daarvan ligt de pas. Maar tussen welke twee?! We struinen verder, omhoog door kniehoog struikgewas en gebieden met berenklauw, die hier zo hoog opgroeien dat je bijna van een mini-bos kunt spreken. Op sommige stukken zijn de planten geplet door de schaapskuddes die over de helling zwerven. De kapotgetrapte sappige stengels vormen een glibberige massa, die de klim nog eens extra lastig maakt. Maar eindelijk bereiken we dan de top, of beter gezegd, de eerste pas van vandaag.

We worden beloond met prachtige uitzichten over een halfrond dal voor ons. De bergketen draait in een halve cirkel naar het zuiden en we kunnen vanaf ons hoge uitzichtspunt de tweede pas al zien liggen. Op de pas staat een lekker verkoelend windje. We nemen ruim de tijd om weer op adem te komen.

Verder gaat de tocht. We lopen over een smal pad over de graad van de bergkam. Links en rechts van ons liggen diepe dalen. Het struikgewas is hoog en weelderig. Kennelijk valt er regelmatig regen op deze bergkam. Dan weer dalen we een stuk af, dan weer klimmen we omhoog naar een volgend topje op de graat. Na een uur of twee arriveren we bij de tweede pas. Er groeit hier heel veel zuring, maar in tegenstelling tot de Nederlandse variant smaken de stengels van deze planten zuur noch fris.

Na een korte rustpauze volgt een lange afdaling van 1300 meter. De eerste 1000 meter gaat het over grashellingen omlaag, over smalle bochtige paadjes, een makkelijk traject waar niemand moeite mee heeft. De angel zit in het laatste stuk naar de rivier in het dal. Dat gaat door een dicht begroeid bos met wilde vruchtbomen zoals pimpernoot, abrikoos, granaatappel en amandel. Sommige stukken zijn bijna niet om door te komen en op andere plaatsen biedt onze gids Igor een - welkome - helpende hand om lastige paadjes langs afgronden veilig te overbruggen. Uiteindelijk bereiken we dan toch de rivier en daarmee onze lunchplek voor vandaag.

Ontspannen, met de voeten in het ijskoude water, genieten we van een smakelijke maaltijd. Het blijft wonderbaarlijk hoe de mensen van Igors ploeg met weinig hulpmiddelen toch iedere keer weer iets lekkers weten te bereiden.

Langs de rivier lopen we verder door soms manshoog struikgewas - je ziet af en toe niet waar je loopt, laat staan waar je naar toe loopt. In de verte zie ik af en toe het blauwe hoedje van Marjan opdoemen; daar oriënteer ik me dan maar op.

In het dal langs de rivier is de zon al achter de berghellingen verdwenen, waardoor de temperatuur al snel tot meer aangename waarden daalt. Aan het einde van het dal ontmoeten we enkele jongetjes op ezels. Wat verderop staan enkele huizen. Het dal verbreedt zich hier en mondt uit, in een soort T-splitsing, op een dwarsdal. Hier buigen we af naar het zuiden, waar het Sarichelek Meer ligt.

Na enkele laatste rivierdoorsteken arriveren we bij de hut aan het meer. In het struikgewas in de omgeving zoeken we een goede plek voor onze tenten. We vinden een veldje met bijna manshoog gras. Eenmaal geplet vormt dat een prachtige matras - zo zacht en verend lagen we nog niet eerder!

Als de tent eenmaal staat, is ons eerste doel: het meer! Het is even zoeken hoe er te komen. Het manshoge gras en het struikgewas benemen ons het uitzicht. Op de smalle oever kleden we ons snel uit. Het water is heerlijk, horen we van reisgenoten. En inderdaad, het lauw warme water van het meer is een weldadige verademing na de lange wandeldag. Het is even een gedoe om door het ondiepe maar modderige stuk langs de oever te waden, maar als de bodem daalt er er echt gezommen kan worden, is het heerlijk.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn haar en wat kleding te wassen. En nu maar hopen dat dat laatste morgenochtend droog zal zijn ...

Buiten ons groepje is er niemand bij het meer. Het wateroppervlak is bladstil. Uit de donkere, dicht beboste oevers klinkt af en toe het gefluit van een vogel en om onze hoofden zoemen wat insecten. Er heerst een verstilde avondrust.

Na de zwempartij is er even tijd om wat te rusten in de tent. Zoals al gezegd, het is heerlijk liggen op de dikke grasmatras. Als het donker begint te worden, schuiven we aan in de gemeenschappelijke tent voor het eten.

Een ongeluk zit in een klein keteltje

Het eten is, zoals gewoonlijk, weer voortreffelijk. Iedere keer op zo'n reis verbaas ik me er weer over wat en lekkere maaltijden er kunnen worden gemaakt met redelijk primitieve apparatuur. Yvon vertelt over de volgende dag. Een pittige tocht, over een hoge pas zonder veel gebaande paden naar een volgende vallei. "Op tijd naar bed maar", denk ik, om morgen uitgerust aan de ongetwijfeld lange wandeldag te beginnen.

Op dezelfde tijd zie ik Marjan opstaan; ze wil kennelijk iets uit de tent halen. Ik kan haar niet goed zien want ze zit aan de andere kant van de tafel in de spaarzaam verlichte tent. Terwijl ik mijn aandacht weer op het eten richt, klinken kreten van pijn. Ik kijk op, maar zie niet precies wat er gebeurt. Wat is er aan de hand? Ik zie Marjan heen en weer hinken. Was er iets met haar?

Ja - ze heeft per ongeluk een ketel heet theewater omgelopen en haar voet is verbrand. De na de kreten aangesnelde gids haalt snel een emmer koud water uit de rivier. "Het valt geloof ik wel mee", zegt Marjan terwijl ik naast haar ga zitten. Maar naar de voet kijkend, daagt al snel het besef dat het helemaal niet meevalt. Rood, en vol blaren. Tot overmaat van pech had ze alleen sokken en sandalen aan. Het hete water kwam dus bijna direct bij de vrijwel onbeschermde huid.

Na een tijdje in het koude water wordt ze door Igor naar de tent gedragen. Pijn voelt ze niet of nauwelijks. "Dat komt door de shock", laat Igor door Maxim, onze tolk die in zijn kielzog meeloopt, vertalen. In de tentopening wordt bij het licht van twee zaklantaarns de wond bekeken en schoongemaakt. Yvon heeft de medicijnkit er bij gehaald. Gelukkig zijn we wat dat betreft van bijna alles voorzien.

Marjan's voet wordt uitgebreid bekeken. Igor geeft aanwijzingen aan Maxim, die daarop in het donker verdwijnt en even later terugkomt met hulpgids en naamgenoot Maxim, vanwege zijn kracht en gestalte in onze groep met enig ontzag ook wel SuperMax genoemd. Hij heeft een ei bij zich. Hij gaat naast Igor zitten, die inmiddels heel voorzichtig bezig is met een in Marjan's jenever gesteriliseerde schaar alle loszittende huiddelen weg te knippen. Het ziet er in het aarzelende licht van de zaklantaarns behoorlijk griezelig uit. In de snel afkoelende avondlucht voelt de atmosfeer klammig aan. In de lichtkegels wemelt het van allerlei insecten. Op de achtergrond klinkt onafgebroken getjirp van krekels.

De reisgenoten zijn gelukkig zo wijs om ons niet te storen bij de 'operatie'. Als de voet 'schoon' is, slaat SuperMax het ei kapot en laat het eiwit over de voet lopen. Dat werkt als een soort kunsthuid, vertaalt tolk Maxim. Tenslotte worden heel voorzichtig met betadine geïmpregneerde gaasjes op de wond gelegd, die tenslotte met een dikke rol verband wordt afgedekt. Tolk Maxim staat erop dat Marjan een pil tegen de pijn inneemt. Ze stribbelt tegen want, zo zegt ze, ze heeft helemaal niet veel pijn aan de voet. Igor valt Maxim bij. "Die pijn gaat nog komen, als de shock voorbij gaat".

Na wat heen en weer gepraat neemt Marjan het zekere voor het onzekere en pakt toch maar een pil aan. De medicijnkit wordt ingepakt, de rommel opgeruimd. We nemen afscheid van de bezorgde Igor, Maxims en Yvon en sluiten de tent. Marjan is doodmoe van alle commotie en ik niet minder. We proberen wat te slapen, maar veel komt er niet van. Het wordt een grotendeels doorwaakte nacht, waarbij allerlei scenario's van 'hoe nu verder met de reis' door mijn hoofd dwalen. Lees verder ...