
Reismagazijn > Centraal-Azië, of: twee tickets naar Frankfurt
De reis
Vooraf | Een lange aanreis | Een bus verdwaald op een vrachtwagen |
Eerste wandeling | Eerste rivierdoorsteek | Eerste kampeerplek |
Naar het Rijk van de Witte Luipaard | In het Paardendal |
Rivieren als zilveren linten | Afdaling in het Ulama-dal | "Niet praten met de bevolking" |
Naar het Sarichelek Meer | Een lastige beklimming | Een ongeluk zit in een klein keteltje |
Te paard door de bergen | Misstap | Het relaas van de reisgenoten |
De laatste trekkingdag | Afscheidsfeest |
Met de truckbus naar Osh |
Grensovergang | Eindpunt Tasjkent |
Zoektocht naar een kliniek | Twee tickets naar Frankfurt |
Voor de verandering een rustige dag |
Terugreis | Naschrift
Eerste pagina van deze reis | De foto's
Eerste wandeling | Eerste rivierdoorsteek | Eerste kampeerplek |
Naar het Rijk van de Witte Luipaard | In het Paardendal |
Rivieren als zilveren linten | Afdaling in het Ulama-dal | "Niet praten met de bevolking" |
Naar het Sarichelek Meer | Een lastige beklimming | Een ongeluk zit in een klein keteltje |
Te paard door de bergen | Misstap | Het relaas van de reisgenoten |
De laatste trekkingdag | Afscheidsfeest |
Met de truckbus naar Osh |
Grensovergang | Eindpunt Tasjkent |
Zoektocht naar een kliniek | Twee tickets naar Frankfurt |
Voor de verandering een rustige dag |
Terugreis | Naschrift
Eerste pagina van deze reis | De foto's
Geen plaats ter wereld was ooit omgeven door een zo dichte sluier van geheimzinnigheid
en is eeuwenlang zo moeilijk toegankelijk gebleven als de Pamir en het Tien Shan gebergte
William Eleroy Curtis in: Turkestan, the Heart of Asia (1911)
Vooraf
In het voorjaar van 2006 wordt onze blik gevangen door een tekstje in de reisgids van HT Wandelreizen, bij sommigen beter bekend onder de vroegere naam Himalaya Trekking: "... een zeer afwisselende reis waarin je, naast het wandelen in prachtige berggebieden, ook kennis maakt met het rijke culturele verleden van Centraal Azië. Vanuit Tasjkent rijden we naar Kirgizië, waar we in vijf dagen een doorsteek maken door de westelijke Tiën Shan naar het prachtige Sari-Chelek-meer. We lopen door naaldbossen, bergweiden en hoge passen. Zo nu en dan passeren we een kleine nederzetting van witte yoerten waar we in aanraking komen met de plaatselijke bevolking. In Oezbekistan rijden we met de trein door de hete Kysyl Kum woestijn naar het karakteristieke, slaperige Boechara. Na een verblijf in de sprookjesachtige Zijderoute-stad Samarkand loopt de route van de tweede trek rond de Tchimtarga, een 5500 meter hoge piek in het uiterste westen van de Pamir. We ontmoeten Oezbeken en Tadzjieken en kamperen bij rare kronkelbomen aan knalblauwe bergmeertjes tussen de meest imposante rotswanden."
Al jaren willen we deze reis maken. In 1996 boekten we voor het eerst. Maar helaas, de reis ging niet door. Er was te weinig belangstelling.
Reizen naar hetzelfde gebied van andere reisbureau's dan HT Wandelreizen vonden wij niet half zo aantrekkelijk. Op die andere reizen werd immers nauwelijks gewandeld. En dat leek ons nu juist zo mooi. In de jaren daarna keken wij herhaaldelijk naar Centraal-Azië als een gebied waar we ooit nog eens heen zouden willen. Maar óf de reis ging niet door, óf de datum kwam ons niet goed uit.
In 2006 echter stonden alle seinen op groen. De datum was precies goed; er was voldoende belangstelling voor de reis en al in het voorjaar verscheen de mededeling op de website van HT dat de reis definitief doorging. Snel geboekt dus, en na een prettige kennismaking met reisbegeleidster en reisgenoten in het Drentse Wapse keken we uit naar een ongetwijfeld inspannende maar mooie reis.
Een lange aanreis
Eerste dag, zaterdag 5 augustus 2006. In het holst van de nacht - kwart over drie - komt de Schipholtaxi voorrijden. Over stille wegen rijden we naar de luchthaven waar we onze reisgenoten ontmoeten. Een korte vlucht brengt ons naar Frankfurt en vervolgens is het een lange maar rustige zit naar Tasjkent met Uzbekistan Airways.
In Tasjkent is het warm, ook al is het al negen uur in de avond. De thermometer staat op 29 graden. De controles van paspoorten en bagage duren eindeloos maar na ruim twee uur kunnen we dan eindelijk van het vliegveld af. Er staat een verrassend mooie airconditioned bus voor ons klaar die ons in een klein halfuurtje naar hotel Raduss rijdt.
Onderweg pakt de hoteleigenaar de microfoon. Met ongetwijfeld met de beste bedoelingen stort hij een overvloed aan cijfermateriaal over Uzbekistan en Tasjkent over ons uit. Ook in de bus: tolk Maxim, jong en een beetje verlegen. Maxim zal de hele verdere reis bij ons blijven.
Raduss is een mooi hotel, van alle gemakken plus airco voorzien. Rond middernacht zitten we aan de maaltijd en vieren de verjaardag van één van onze reisgenoten op een mooie buitenplaats met traditionele lage tafels en zitplaatsen gestoffeerd met dikke oosterse tapijten. Het is al tegen enen als we onze kamers opzoeken voor - alweer - een korte nachtrust.
Tweede dag, zondag 6 augustus 2006. Om zes uur gaat de wekker. We maken ons klaar voor vertrek naar Kirgizië. Met dezelfde luxe bus als gisteravond rijden we naar de grens met Kazachstan. Die ligt aan de rand van Tasjkent, slechts een half uurtje rijden van het hotel.
De grensovergang is geen sinecure. Er zijn vier politie- en douanekantoren, voor ieder land twee. Bij de douane wordt ieder paspoort uitgebreid onderzocht en worden ingewikkelde gezichtscontroles uitgevoerd. Ondertussen is het een heel gewoel van Kazachen en Oezbeken, die veel minder dan buitenlanders gecontroleerd worden en die zo snel mogelijk de grens over willen. De politiebeambten willen dat alles ordelijk verloopt, maar hun interventies lopen meestal uit op duwen en trekken, zelden op een snelle doorstroming.
Het is prettig dat het hele grensgebeuren is overkapt. Dankzij die overkapping staan we de meeste tijd lekker in de schaduw, geen overbodige luxe bij temperaturen die oplopen in de richting van de 40 graden Celcius. Wonderlijk genoeg mag onze bagage, die door enkele kruiers op karretjes is geladen, ongehinderd de grens passeren. Wij zelf doen er meer dan twee uur over.
Een bus verdwaald op een vrachtwagen
Aan de Kazachse kant van de weg staan auto's schots en scheef geparkeerd, wachtend op grenspassanten. Een stuk verderop staan een truck met reusachtige wielen. In plaats van de vrachtruimte is op het achterstuk een okergeel geverfd passagiersgedeelte gemonteerd. Het ziet er uit als een stuk van een ouderwetse stadsbus dat verdwaald is op een vrachtwagen. Dit wordt ons vervoermiddel voor de komende dagen.
Met passen en meten wordt de bagage achterin gestouwd. Het past allemaal maar net, of eigenlijk: net niet, want als we zijn ingestapt, blijkt dat er voor de gidsen een zitplaats te weinig is. Er wordt wat geïmproviseerd in het smalle gangpad. De stoelen zijn niet van bijster goede kwaliteit. Sommige staan scheef, van anderen klapt de rugleuning helemaal achterover. Maar goed, iedereen kan zitten. Rijden!
Alhoewel de asfaltweg er goed uitziet, valt de rit niet mee. De truck-bus heeft geen vering, dus bij iedere oneffenheid in de weg schudden we met z'n allen heen en weer. Buiten is het bijna 40 graden, binnen ook, plus stoffig en benauwd. Ik moet onwillekeurig terugdenken aan mijn eerste lange busrit in Mali. Dezelfde hitte, hetzelfde stof, dezelfde benauwdheid. De truck heeft twee dakramen die wel voor een klein windje zorgen, maar verder geen verkoeling brengen. Zo hobbelen we naar de volgende grote plaats op onze route: Shimkent.
Het landschap is weids en dor. Glooiende heuvels, zover het zicht reikt, zijn bedekt met verdroogde gewassen, boekweit, granen, zonnebloemen. Slechts waar riviertjes lopen is het een beetje groen.
Een stuk voorbij Shimkent stoppen we in een klein plaatsje bij een appelstal. Overal langs de weg worden producten van het land aangeboden. Hier zijn dat dus vooral appels - emmers vol. In een restaurant wordt voor ons een heerlijke maaltijd bereid. Het kan niet op, lijkt het. De lunch begint met een salade met brood. Een grote kom soep is het onverwachte vervolg en daarna volgt nog een bord met lekkere dumplings. Heerlijk! Veel later hervatten we onze hobbelreis naar Talas en de grens met Kirgizië.
Langzamerhand begint het buiten wat af te koelen, maar in de bus blijft het warm. Bij de grens hebben we weer een zeer lang oponthoud. Gewichtig doende mannen in uniformen wandelen plechtig heen en weer, terwijl wij ons één voor één mogen komen presenteren. Net als bij de vorige grenspost worden onze gezichten weer uiterst nauwkeurig met de foto's in de paspoorten vergeleken. Wee degene die zich een nieuwe bril of een ander kapsel heeft aangemeten!
Als we verder mogen rijden, is de zon de horizon al genaderd. Het is inmiddels half negen. Buiten daalt de temperatuur nu snel; in de bus blijft het ondanks de open ramen nog lang warm. Met snelle vaart - de chauffeur heeft haast vanwege het lange oponthoud - rijden we de bergen tegemoet. In de snel invallende schemering kunnen we nog net een groot stuwmeer ontwaren. De weg loopt er langs. Over een kleine hoogvlakte rijden we naar onze eerste kampeerplaats. Bij een huis langs de weg zetten we onze tenten op. Het is altijd een geworstel, de eerste keer met een nieuwe tent. Maar na enig gepuzzel en gekissebis staat-ie.
Even eerder kwamen Marjan en ik tot de ontdekking dat we iets essentieels vergeten zijn: de slaapmatjes! We snappen zelf niet dat we zo dom zijn geweest. Voor deze eerste nacht is het probleem snel opgelost: In de 'opkamer' in het huis liggen matrassen om op te zitten; we mogen er twee lenen.
We eten buiten, bij het licht van een gaslamp. Door het stil zitten krijgen we het zelfs een beetje koud, een nieuwe ervaring in het tot nu toe snikhete Centraal-Azië. De jassen en fleeces worden al snel uit de rugzakken gehaald.
Derde dag, maandag 7 augustus 2006. Om acht uur gaat de wekker. Al lang voor die tijd zijn we wakker. Het is opnieuw stralend weer. De zon schijnt op het tentzeil en de temperatuur binnen stijgt al snel. Ik was er al vroeg uit, ben niet helemaal in orde. Ik hoor later dat verschillende reisgenoten wat problemen hebben. Het drukke reisschema eist z'n tol. Desondanks laten we ons de maaltijd goed smaken. De pannekoeken en pap gaan schoon op.
Nu we in de bus niet meer achterin zitten maar in het midden, tussen de wielen in, valt het gehobbel mee. Al spoedig laten we de asfaltweg achter ons. Voorzichtig zoekt chauffeur Victor een weg over een pad dat zich het beste laat omschrijven als een karrespoor door de bergen, langs diepe afgronden en hoge bergwanden, maar met daarom ook geweldige uitzichten. We hebben maar zelden eerder over zúlke slechte wegen gereden.
De weg kent een aantal haarspeldbochten die zo scherp zijn, dat de bus ze niet in één keer kan nemen. Voorzichtig moet Victor dan 'steken', terwijl wij soms ons hart vasthouden als we zien hoe dicht de wielen de brokkelige rand van de afgrond naderen.
Regelmatig steken we rivieren over. Hoe verder we komen, hoe krikkemikkiger de bruggetjes worden. Nu zien we ook goed waarom we met zo'n expeditietruck rijden - als we dat tenminste nog niet wisten. Als Victor de brug niet vertrouwt, stuurt hij de bus pardoes de rivier in. Hotsend en botsend rijden we dan een stuk door de bedding tot we weer de weg op kunnen komen.
Door een desolaat landschap, gestriemd door harde winden en vrijwel ontdaan van iedere begroeiing, rijden we verder. Over een oneindig lange weg vol haarspeldbochten klimmen we moeizaam omhoog. Halverwege is er noodgedwongen een stop. De motor is oververhit. Het water in de radiator kookt. Stoomwolken kringelen omhoog terwijl Victor bijvult en afkoelt met emmers koud water uit het riviertje dat evenwijdig aan de weg stroomt.
Na een half uur wachten is de motor zover afgekoeld dat we verder kunnen rijden. Hoger en hoger komen we. De wind neemt in kracht toe en de temperatuur daalt. Na een tocht van uren staan we boven op de Karabur-pas, 3250 meter hoog. We stappen uit om van het uitzicht te genieten en schrikken van de kou en de wind. Zonder jas of fleece hou je het hier echt niet lang vol.
We kijken uit op een driesprong van dalen. Achter ons ligt het dal waaruit we moeizaam van haarspeldbocht naar haarspeldbocht omhoog reden. Vóór ons liggen twee dalen, één schuin naar het oosten en één schuin naar het westen. In het dal zien we rivieren met ontelbare vertakkingen. Vanaf deze hoogte is geen begroeiing zichtbaar en misschien is die er ook wel niet. De grijze rotswereld ziet er ongenaakbaar uit.
Na korte tijd stappen we weer in onze truck, waar het nu aangenaam warm lijkt. Ondanks de dakventilatie en de open ramen koelt het binnen niet snel af; de tropische warmte van gisteren hangt nog steeds in de bus. Voorzichtig rijden we omlaag, na enige tijd evenwijdig aan een bergrivier die we regelmatig oversteken. Aanvankelijk gebeurt dat over bruggen. Die houten constructies worden echter allengs minder stevig. Voor onze expeditietruck is dat geen probleem: als het er naar uitziet dat de brug ons niet houdt, rijden we gewoon een stuk door de rivier!
Bij een grassig landje naast de rivier stoppen we voor het middageten. We zijn inmiddels enkele honderden meters gedaald. Van de kou en de wind op de pas is hier niets meer te merken. We kunnen hier een rivierbrug van nabij bekijken. Het gevaarte is gemaakt van ruwe boomstammen, dennen zo te zien, die met touw aan elkaar vastzitten. Prima voor voetgangers of paarden, maar of het onze grote truck houdt ...
Als we na de lunch verder rijden, neemt onze chauffeur het zekere voor het onzekere. Hij laat de brug links liggen en rijdt voorzichtig de rivier in. Hobbelend over de grote keien in de bedding kruipen we een kleine honderd meter verderop weer de oever op en vervolgen onze tocht over het rulle karrespoor dat hier de bergweg vormt.
Tegen vijf uur rijden we het Tjatkal-dal binnen, met prachtige vergezichten op een dicht bebost dal, met daarachter een imposante rij sneeuwbergen. Vrij plotseling bevinden we ons na een lange dag temidden van kale grijze bergen in een heel ander landschap.
Hier ergens moet onze truckrit eindigen. Het is even zoeken naar de afgesproken plek. Na een paar keer vergeefs stoppen en kijken zien we in de verte enkele mannen in felgekleurde truien opdoemen. De 'paardenmannen', die met hun dieren het vervoer van de bagage voor hun rekening zullen nemen.
We nemen afscheid van onze chauffeur Victor. Een man van weinig woorden maar een bekwame rijder die ons veilig tot hier heeft gebracht.
Met de bagage gaan we door het diepe dal naar de overkant. Van zelf de bagage transporteren kan geen sprake zijn; iedere poging daartoe wordt vriendelijk maar beslist afgewezen. Als we zelf onze weg zoeken naar de overkant merken we waarom. Het pad is af en toe erg steil en er ligt her en der verraderlijke steenslag.
De brug over de rivier is wrakkig. Gelukkig hebben we houvast aan de touw en ijzerconstructie waar de brug mee is opgehangen. De planken waaruit de 'vloer' van de brug bestaat, zijn goeddeels verrot.
Aan de overzijde van de brug ontmoeten we de paardenmannen en hun dieren. Ze blijven een beetje op afstand. De paarden zien er pezig maar sterk en goedverzorgd uit.
Het veldje naast de brug staat vol met distels. En het mooie uitzicht dat we aan de overkant hadden, is hier ook niet. Geen fijne kampeerplek. Na overleg met Yvonne, gids Igor en vertaler Maxim wordt besloten een flink stuk verderop te kamperen. De paarden worden beladen en terwijl de zon naar de horizon zakt, gaan we op pad. Lees verder ...
HetMagazijn