Mali, 26 november-17 december 2005 - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

ReisMagazijn > Mali - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

De reis

Van Birma naar Mali (niet naar Bali) | Djenné | Boottocht over de Bani | Tussenstop in Mopti | De Tellem |
Naar Timboektoe | Timboektoe | Hombori | Mopti | Pays Dogon | Ségou | Naschrift | Meer over Mali

Eerste pagina van deze reis | De foto's
Pays Dogon

Twaalfde dag, woensdag 7 december 2005. Een reisdag. De bagage wordt opnieuw gesplitst. Het is weer even goed nadenken wat je meeneemt en wat je achterlaat, of beter gezegd, laat wegbrengen naar het hotel in Sevaré waar we na onze tocht door Pays Dogon zullen overnachten.

Na het ontbijt stappen we in een oude Mercedesbus. Het is er warm en benauwd. Te kleine klapstoeltjes met een te lage leuning. Voor de ramen hangen donkerbruine lappen tegen het stof en de zon. Veel helpen doen ze niet. Enige tijd na het verlaten van het Office du Niger slaan we een hobbelige zijweg in naar het plaatsje Song ho.

Aan de rand van het dorp stappen we uit. We komen nu in een heel 'ander' Afrika. Song ho ligt in de heuvels, aan de voet van hoge rotsen. De huizen in het dorp zijn gebouwd in typische Dogon-stijl. Vierkante of ronde lemen huizen met rieten puntdaken, met lage muren omgeven binnenplaatsen, graanschuren op het erf. In het centrum van het dorp is zichtbaar dat hier wel meer toeristen komen. De straatjes hangen er vol met de bogolans, de kunstig geverfde doeken waar de Dogon bekend om staan en de kleine winkeltjes puilen uit van de snuisterijen. Wie verleidde wie ook al weer met kralen en spiegeltjes?

We wandelen door het dorp en klimmen een stukje omhoog in de rotswand naar de plek waar de jongensbesnijdenissen plaatsvinden, het initiatieritueel dat van jongens mannen maakt. Dat is het doel van dit uitstapje. In een ondiepe grot liggen de muziekinstrumenten die de jongens tijdens hun initiatie maken. De rotswand staat vol met tekeningen. Ik begrijp dat de initiatie enkele weken duurt en in die tijd moeten ze natuurlijk wat te doen hebben. Onderaan de rotswand met de tekeningen is een open plek met platte rotsstenen, in een halfronde kring gerangschikt. Hier vindt de initiatie plaats. Afgescheiden door een muurtje van rotsblokken is de 'verkoeverruimte' waar ze bij kunnen komen na de ingreep. Je ziet duidelijk de sporen op de 'zitrotsen' van het uitbloeden. Bruinrode streepjes lopen omlaag.

In hun publicatie Tekens aan de wand : rotskunst en besnijdenis in Songo, Pays Dogon geven Cornelia Kleinitz en Brigit Dietz van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden uitgebreid informatie over dit fenomeen.

Uiteraard worden er door reisgenoten vragen gesteld hoe het nu met de meisjes zit. Zijn er hier ook meisjesbesnijdenissen? Het antwoord is een politiek correct nee. De gidsen weten drommels goed hoe er in het westen over dergelijke zaken gedacht wordt ...

Via Bandiagara waar we even stoppen om wat te drinken, rijden we verder Dogon-land binnen. Adama is in z'n element. Hij is zelf Dogon en komt nu dus thuis in eigen land. Op een dorre akker langs de weg houden we een geïmproviseerde lunch. Er zijn lekkere hapjes mee uit het campement in Mopti - lokaal en bij toeristen wereldberoemd om zijn kaas-ei-tomaatbroodjes. Kinderen uit het nabijgelegen dorp hebben ons als snel in de gaten en kijken belangstellend toe hoe de broodjes in onze monden verdwijnen. Omdat er niet zelf iets bereid is, is er deze keer maar weinig over om met hen te delen.

Even verderop ligt een mooie uientuin - ook iets waar de Dogon om bekend staan. In een ruit van vierkantjes van ongeveer een vierkante meter groot worden de uien geteeld. De veldjes worden omgeven door aarden muurtjes, zodat het water goed wordt vastgehouden. Watergeven gebeurt met kalebassen. Die worden bij de put gevuld, naar de velden gedragen en daar omgekieperd. Twee maal per dag krijgen de uien op deze manier water. Het is net genoeg om te overleven.

We hebben ruim de gelegenheid de uientuin goed te bekijken. Het busje wil namelijk niet meer starten. We gaan dus maar verder lopen. Een kwartiertje later horen we een motorgeluid achter ons. Het is toch nog gelukt om de oude Mercedes weer aan de praat te krijgen. We stappen weer in en rijden het laatste stukje naar onze eindbestemming, Djiguibombo. Het is inmiddels ongeveer drie uur in de middag.

In Djiguibombo begint onze vijfdaagse wandeling door Pays Dogon. Vooraf een ernstige toespraak van Adama die ons bezweert vooral in zijn voetstappen te lopen en geen zijpaden in te slaan. De dorpen in de Dogon kennen vele heilige plekken die voor ons westerlingen niet als zodanig herkenbaar zijn. En onwetendheid is bij de Dogon géén excuus voor heiligschennis - overtreding van de regels, hoe gering ook, wordt hier hoog opgenomen en men is snel met het eisen van schadevergoeding in de vorm van de aankoop van een kip of geit, al naar gelang de ernst van de overtreding en misschien ook wel een beetje het humeur van de 'benadeelde'.

In hun publicatie Tekens aan de wand geven Cornelia Kleinitz en Brigit Dietz van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden uitgebreid informatie over de Dogon. De moeite waard om te lezen!

Netjes achter Adama aan wandelen we dus door Djiguibombo. Langs ronde menstruatiehuizen, graanschuren, de heilige plaatsen die voor ons taboe zijn. En inderdaad niet als zodanig herkenbaar, zoals Adama al vertelde. Het is wel jammer dat je met zo'n kolonne zo opvalt. Van een ongedwongen foto komt zo helemaal niks. Het dorp bestaat zoals de meeste Dogon-nederzettingen uit drie kwartieren, een Islamitisch, een Christelijk en een animistisch deel. De verschillende groepen leven zonder problemen samen omdat het animisme hier de overheersende geloofsrichting is waar Islam en Christendom aan nevengeschikt, zo niet ondergeschikt, zijn. Omdat iedereen hier vóór alles animist is, is er een gemeenschappelijke basis waarop geschillen in de minne kunnen worden geschikt.

Aan de rand van het dorp is een grote markt. Over de weg wandelen we er langs, het dorp uit. We volgen de weg naar de falaise, de steile rotswand waarop, waarin en waaronder de Dogon leven. We hebben een schitterend uitzicht op de vlakte zo'n 250 meter beneden ons. Zand, wat struiken, baobabs en acacia's zover het oog kan zien. Aan de rand van de klif daalt de weg in grote bochten naar de vlakte omlaag. Wij nemen het voetpad - sneller maar ook een stuk lastiger. Aanvankelijk dalen we geleidelijk af over vlakke rotsplaten maar dan volgt een niet ongevaarlijke klauterpartij die soms bijna loodrecht omlaag gaat. Het is af en toe goed zoeken naar houvast. Maar goed, het is maar 250 meter en met wat hulp van elkaar lukt het iedereen veilig beneden te komen.

Door stoffige en droge akkers wandelen we aan de voet van de falaise naar het dorpje Karikanbolé dat we in de verte al zien liggen. Dit is nu precies wat ik van Afrika verwachtte. We zijn hier ver weg van de westerse cultuur met z'n lawaai en z'n gemakken. Hier geen eletriciteit of stromend water, geen jengelende radio's, geen schreewerige reclames, hangjongeren noch hangouderen. Zandpaden en vierkante lemen huizen met platte daken. Een marktplein overschaduwd door reusachtige baobabs. De marktkramen zijn van takken gemaakt. Rondom een poel zitten mensen te praten en een spelletje te spelen. Alles straalt een weldadige rust uit. We overnachten in het campement, een verzameling lemen gebouwtjes met platte daken waarop wij onze binnententen opzetten. Vanaf het dak hebben we een aardig uitzicht op de marktplaats van het dorp en aan de andere zijde, op de binnenplaats van het campement, een rechthoekige zandplaats met tafels en de inmiddels bekende Malinese ligstoelen.

Het is verder wat behelpen in Karikanbolé, maar ik vind het al een wonder dat er überhaupt voorzieningen zijn. En ach, ook zonder waterleiding kun je je - met een bodempje water in een emmer - prima wassen.

Nadat de tenten staan en de bagage is uitgepakt, maak ik een rondwandeling door het dorp. Naast het campement ligt het nu verlaten marktplein. De kraampjes zijn netjes aan de kant geschoven, onder het bladerdak van de enorme baobabs die in grote getale in het dorp staan. De heilige bomen mogen niet worden omgehakt en staan dus soms op wat ongelukkige plaatsen. Het geheel zorgt echter wel voor een bijzondere sfeer. Een waterpoel in het midden van het dorp lijkt de verzamelplaats van dorpsoudsten. De baobabs maken reusachtige wortels, die uitstekend geschikt zijn als bankjes. Oude mannen roken er een pijpje en nemen uitgebreid de dag door - dat denk ik dan maar want van de Dogon-taal versta ik, helaas, geen woord.

Achter de waterpoel ligt de lemen moskee. Hoe eenvoudig het dorp er verder ook uitziet, de moskee is weer een wonder van bouwkunst. Voor zijn huis zit de plaatselijke kleermaker te naaien achter een antieke trapnaaimachine. Ik schrijf antiek, maar het is natuurlijk een prima machine in een plaats waar geen elektriciteit is. Een jongetje is op een koe geklommen en galoppeert als een echte cowboy rond de moskee. Voorbij de moskee beginnen de akkers en velden. In de verte een stofwolk. Het is een herder die met zijn kudde geiten terugkeert van het land. We keren terug naar het campement. Met ons gezicht naar de rotswand lopen we om de moskee naar onze overnachtingsplek. Het dorp lijkt nog kleiner en nietiger dan het al is tegen het decor van de grillig gevormde rood-bruin-gele falaise.

Sinterklaasavond. Het is er dan toch nog van gekomen. Alle gedichten zijn af en we zijn er helemaal klaar voor. Adama, geheel in het rood en met een witte wattenbaard, is een fantastische Saint Nicolas, die zijn rol meteen doorheeft en hem met verve speelt. Ieder nieuw slachtoffer wordt door hem onder grote hilariteit "under the knees" bevolen en soms waarderend maar meestal bestraffend toegesproken. Onze Sinterklaas wordt door scherpe waarnemers gesouffleerd! De gedichten zijn over het algemeen van hoog gehalte en soms zelfs komisch. Een goed idee van Paula om Sinterklaas te vieren. Het is een heel leuke avond en pas laat beklimmen wij de daken om onze tenten op te zoeken.

Het slapen op het dak lijkt een handig en tegelijk romantisch idee. De werkelijkheid blijkt echter anders. De daken zijn de hele dag gestoofd in de zon. Die warmte stralen de daken 's nachts weer uit - als kachels. Ondanks de vele vreemde geluiden van het dorp en de hitte heb ik toch goed geslapen. De biertjes tijdens de Sinterklaasavond hebben daar ongetwijfeld aan meegeholpen.

Dertiende dag, donderdag 8 december 2005. We staan om zeven uur op. Het is nog steeds (of: alweer) warm. Wassen met een klein beetje water, eten en dan op pad. Over brede zandpaden wandelen we naar het dorp Teli. Het landschap bestaat uit verdroogde akkers. Hier en daar wat plukjes vergeeld gras, gewassen op de akkers zien er uit als stro. Aan onze linkerhand is daar steeds de hoge rotswand die wij in de lengte volgen. Het is een warme dag. De temperatuur loopt omstreeks tien uur al op tot boven de 50 graden in de zon. Gelukkig brengen de vele baobabs langs de weg wat schaduw en koelte.

In Teli klimmen we naar een hoger in de rotswand gelegen dorp, met het huis van de heilige Hogon en verschillende graanschuren. In dit dorp staan nog verscheidene gebouwen die worden toegeschreven aan de Tellem. Het merendeel ervan is in slechte staat. De plek is echter bijzonder. De rotswand welft hoog over het dorp heen en vormt zo een prachtige bescherming tegen zon en regen. Het uitzicht op Teli is mooi. In het midden ligt de lemen moskee. Daarom heen zijn, bijna in een volmaakte cirkel, de huizen gebouwd. Naar het westen kijkend kunnen we bijna onze hele route vanaf Karikanbolé traceren. En achter Teli vervaagt in de stoffige atmosfeer de droge vlakte tot één geheel met de lucht.

Van Teli wandelen we naar het plaatsje Ennde. Onderweg hebben we een bijzondere ontmoeting met twee jagers. Het is een bevolkingsgroep die zich meestal op meer afgelegen plaatsen in de bush ophoudt en, aldus Georgette, het is best bijzonder om ze hier op de zandweg tussen de dorpen te ontmoeten. Ze zien er indrukwekkend uit in hun speciale jagerskledij, behangen met trofeeën en amuletten. Over hun schouders hangt een groot ouderwets geweer, een echte voorlader nog.

Tegen het middaguur zijn we in Ennde, de plaats waar we zullen overnachten. Aan het begin van het dorp ligt ons ommuurde campement. Een binnenplaats van zand met wat bomen en struiken, een kraantje. Rondom lage gebouwen, hokjes aan de buitenmuur vastgebouwd. Onder een afdak met banken en tafels blazen we uit. Niet van de grote afstanden die we afleggen maar wel van de grote hitte die we moeten verduren. Het afdak is gemaakt van netten en takken. Het geeft schaduw, maar laat ook lucht door, zodat er door het opgewarmde zand geen 'kachel-effect' ontstaat. Adama en zijn helpers zijn meteen al weer druk in de weer met het bereiden van het middagmaal. Soep, couscous en verfrissende watermeloen als toetje. Na het eten vallen de meeste reisgenoten ter plekke in slaap op de inmiddels gearriveerde slaapmatrasjes. Wat wordt een mens loom van dat weer.

Als de ergste middaghitte is geweken, trek ik er op uit. Samen met Mieke maak ik een wandeling door het dorp, een wijd uiteen staande verzameling van huizen en erven. Het centrum wordt gevormd door de vergaderplaats met het bekende lage dak, de toguna. Bij een waterput worden de laatste emmers omhoog getakeld. De put is leeg. "Zijn er nog meer putten in het dorp?" vraag ik. "Nee, de volgende ligt enkele kilometers verderop", is het antwoord. Dat betekent zuinig aan met water, denk ik. Maar niets blijkt minder waar. Er zijn nog wel degelijk andere waterbronnen in het dorp hoor ik later van Adama. Waarom er zo dramatisch gedaan werd bij de put is me een raadsel.

Langs de lemen kathedraal - die kunstige bouwwerken blijven je verrassen - wandelen we terug naar het campement. In de schaduw van een boompje zet ik de tent op. We mogen ook op de daken van de bijgebouwen slapen, maar ik heb wat dat betreft m'n lesje al geleerd. Die daken blakeren overdag in de zon en stralen de warmte 's nachts als kachels uit. Van slapen komt dan niet veel ...

Na het avondeten, midden op de binnenplaats aan een uiteenlopende verzameling aaneengeschoven tafeltjes, begin ik aan een nieuw boek: Reisgenoten, van Hans Taal. Het speelt zich af in Mali en boeit me vanaf de eerste regel. Een auteur om méér van te lezen.

Als de schemering begint te vallen, is het snel afgelopen met lezen. Er is vanavond een dansfeest op de zandvlakte naast het campement. We leveren een bijdrage en zijn vervolgens hartelijk welkom. Het feest wordt groots aangepakt. Er wordt een enorme stapel takkenbossen gebracht, er zit een heus orkest, en van overal komen de mensen aanlopen. Op het hoogtepunt tel ik tenminste 250 mensen die zich in een grote kring rond het vuurtje van brandende takkenbossen hebben opgesteld. In het licht van de vlammen treedt een plaatselijke dansgroep op. Een grote variatie van dans- en muziekstijlen passeert de revue, tot enthousiasme van zowel de bevolking als de reisgenoten. Adama licht hier en daar wat toe, maar echt nodig is dat niet. Ik geniet met volle teugen van het sfeervolle schouwspel van licht, geluid en beweging.

Het feest duurt tot de laatste takkenbos is opgebrand. De dorpelingen verspreiden zich; wij nemen onze banken en stoelen op en lopen de omheining van het campement weer binnen. Alhoewel ik het heerlijk vind om na een dag vol nieuwe belevenissen m'n bed op te zoeken, is het toch jammer dat het dansfeest al voorbij is. Het had van mij wel tot in de kleine uurtjes mogen duren.

Veertiende dag, vrijdag 9 december 2005. Kort na zonsopkomst uit de veren. We profiteren van de ochtendkoelte in de vroege uren van de nieuwe dag. We wandelen over de stoffige zandweg tussen de akkers van Ennde naar het plaatsje Beniguimato. We lopen over vlak terrein, maar het is wel prettig om dichte schoenen aan te hebben. Sandalen zijn prettig in de warmte maar om de 25 meter zand en stro uit je sokken plukken, is ook niet alles.

Het landschap is hetzelfde als eerdere dagen, maar toch is de wandeling niet saai. Dat komt door de vele ontmoetingen met de lokale bevolking. Vandaag bijvoorbeeld een groepje steenbakkers. In een modderpoel maken ze stenen met behulp van een mal. De stenen laten ze vervolgens in de zon drogen. Het is zwaar werk, dat niet alleen door mannen wordt uitgevoerd. Ik zie ook enkele kleine kinderen, naakt onder een dikke laag modder, bezig met het vullen van de mallen.

Op de akkers grazen kuddes koeien. Het is verbazingwekkend dat ze op deze droge, dorre gronden nog wat van hun gading kunnen vinden. Regelmatig worden we ingehaald of tegemoet gelopen door vrouwen en kinderen. Vaak maken we een praatje in de schaduw van een baobab, ook al is dat lastig vanwege de taal. De meesten spreken uitsluitend Dogon. In onze groep spreekt alleen Adama die taal. Met degenen die ook een woordje Bambara spreken, kunnen we wat beter uit de voeten omdat Georgette die taal beheerst. Maar ach, ook met handen en voeten komen we een heel eind.

In de middag vinden we beschutting voor de warmte onder een reusachtige boom. Een dik bladerdak welft in een cirkel van zeker veertig meter rondom de dikke stam. Een stukje verderop ligt een klein restaurant dat deze mooie plek gebruikt als terras. De tafels en stoeltjes staan in het zand in de verkoeling brengende schaduw van de boom.

De ossekarren met onze bagage waren ons al vooruit. Ze worden nu afgeladen voor de tocht omhoog, de rotskliffen op, waar Beniguimato ligt. Adama heeft daarvoor extra dragers ingehuurd, vijftien in totaal. Een probleem om die te vinden zal hij niet hebben gehad; hij wordt voortdurend aangeklampt door mensen om een baantje.

Als we even na drie uur in de middag onderaan de rotswand staan, lijkt die een onoverkomelijke hindernis. "Hoe komen we ooit tegen deze steile wand op?" verzuchtten sommige reisgenoten. Het pad omhoog valt in de praktijk mee. Van steen tot steen, van rots tot rots, worden we zigzag langs de helling omhoog geleid. Bijna nergens is het pad gevaarlijk zoals bij de eerste afdaling in de Dogon-vallei. Voor we het weten zijn we al halverwege, waar op een klein plateau omgeven door rotswanden akkers zijn aangelegd. Van daar is het nog maar een klein stukje naar Beniguimato. Door een nauwe kloof klimmen we verder tot het volgende plateau waar we al snel de eerste dorpshuizen ontdekken.

Een van de eerste huizen is ons campement. In dit geval betekent het, dat er een beschaduwde plek is om te zitten en om eten te koken. Kamperen doen we een stukje verderop op een open vlakte voor een laag vierkant gebouw met een klein lemen kruis er op: de dorpskerk. De vlakte fungeert als dorpsplein voor het Christelijke deel van Beniguimato. Alle paadjes komen er op uit en aan de randen staan verschillende baobabs.

Als de hitte van de middag voorbij is, maakt een deel van de reisgenoten nog een wandeling in de bergen. Anderen blijven dichter bij huis en gaan met een gids op verkenning in het dorp. Over smalle rotspaadjes wandelen we tussen huizen en erven door. Ons doel is het erf van de jager van het dorp, Léon. De meeste Malineze binnenplaatsen zijn sober, een muur van leem, een vloer van zand, een oven, wat krukjes, een tafel - daarmee heb je het meestal wel gehad. Zo niet het erf van Léon. Het hangt er vol met jachttrofeeën. We zien apenschedels, antilopegeweien, vachten, een krokodil. In een hoek van het erf maken we kennis met zijn vrouw, die druk bezig is met het bakken van brood. Dat is opvallend omdat op de meeste plaatsen in Pays Dogon alleen de zg. 'oliebollen' worden gebakken. Hier echter wordt deeg gerold tot echte stokbroden. Morgen, zo belooft Léon, zal hij zijn jachtgeweer voor ons demonsteren. We verheugen ons al op de demonstratie - van een afstandje dan wel, want erg betrouwbaar ziet de antieke voorlader er niet uit.

We wandelen verder. Na de laatste huizen volgt een klim naar een hoge rots vanwaar we een panoramisch uitzicht op de grote vlakte hebben. De laagstaande zon zet het landschap in een warme gloed. Akkers en baobabs tot aan de horizon, waar stof en nevel aarde en hemel aaneen smeden in een waas van onbestemde kleur. Richten we de blik dichterbij, dan kunnen we het pad van onze wandeling van vandaag bijna helemaal traceren. Als een smal lint slingert het door en langs akkers, baobabs en heuveltjes.

Aan de overkant van een kloof ligt het animistische deel van het dorp. Daar zijn we niet welkom. Nieuwsgierig turen we naar de rijen lage huizen. Wat lopen daar nu voor dieren? "Dat zijn mouton-de-Paris", lacht de gids. Varkens. We staan er van te kijken. Varkens, in een land waar de mensen overwegend Moslim zijn? De gids verklaart nader: "Of we nu Christen zijn of Moslim, van oorsprong zijn we allemaal animistisch. Dat animisme is de grote gemeenschappelijke deler waarop de verschillende bevolkingsgroepen elkaar kunnen vinden. Het verzacht de tegenstellingen en is een vruchtbare bodem voor allerlei vormen van samenwerking en gemeenschapszin." De varkens zijn een praktische oplossing voor het toenemende afvalprobleem: de dieren eten gewoon alles. En daarnaast, zo vertelt hij toch wat besmuikt, "is een lekker stuk varkensvlees ook niet te versmaden."

Al pratend zijn we weer tussen de huizen beland. Her en der maken we een praatje. Er wordt druk geposeerd voor foto's, met een jong gezinnetje, met een kudde jonge geitjes. De sfeer is gemoedelijk en vriendelijk. Het loopt tegen etenstijd. Op verschillende erven wordt druk in de pannen geroerd. Van alle kanten stijgen heerlijke geuren op. Zo ook bij ons campement waar de inmiddels uit de bergen teruggekeerde groep al rond de tafel zit, wachtend op het lekkers dat Adama voor ons aan het bereiden is. Na de maaltijd vergast Adama ons op een uitgebreid verhaal over uithuwelijken en hoe dat in Mali in z'n werk gaat. Met een biertje er bij dwaalt mijn aandacht echter wel af. Adama's verhalen zijn interessant en hij vertelt boeiend, maar soms wil een mens aan het eind van een lange dag nog maar één ding: slapen!

Vijftiende dag, zaterdag 10 december 2005. In alle vroegte eten we onze 'oliebollen' en bezichtigen vervolgens de kerk. In het eenvoudige lemen gebouw staan lage banken. Het altaar is versierd met kerstslingers en overal op de muren hangen tekeningen. Het Christendom lijkt hier op het eerste gezicht een blijmoedig en kinderlijk geloof te zijn. Hoe dat in werkelijkheid is, daar komen we tijdens ons korte bezoek niet achter.

Daarna wandelen we naar het erf van jager Léon, die met groot vertoon en geweldige knal zijn antieke voorlader afschiet. Er zijn heel wat foto's bewogen door de schrik van de knal en de rook, die aan alle kanten uit het schiettuig kronkelt. Het is duidelijk Léon's succesnummer. Hij verkneukelt zich bij onze verschrikte gezichten.

We verlaten Beniguimato en wandelen door geaccidenteerd, rotsachtig terrein. Langs mooie groene uientuinen die met behulp van kalebassen bewaterd worden, akkertjes omgeven door hoge rotswanden, uitzichten op prachtige rode zandduinen in de vlakte aan de voet van de failaise. Het is weer een heel andere omgeving dan tijdens de eerdere wandelingen toen we beneden aan de rotswand liepen.

We lunchen in Dourou, een groot dorp van wijd uit elkaar staande huizen. Het restaurant heeft een groot dakterras. Maar omdat er ook andere toeristen verblijven - die kwamen we nog niet eerder tegen in Pays Dogon - is het er krap. Het is midden op de dag en warm. Met Pieter maak ik dat ik wegkom onder het benauwde afdak vandaan. In Dourou is weinig te zien en te beleven. De huizen ogen aan de buitenkant gesloten, de muren rond de erven zijn hoog. Alle ramen en deuren zijn dicht om de middagwarmte buiten te sluiten.

Aan de overkant van een valleitje ligt op een heuvel het animistische deel van het dorp - voor ons verboden gebied. Het ziet er curieus uit, met vele ronde graanschuren, een prachtige lemen moskee, de toguna en een aantal heilige plaatsen die voor ons zelfs van deze afstand te herkennen zijn.

Al om half twee vervolgen we onze tocht. We hebben vandaag een witte hemel, zoals Adama zegt: het is bewolkt en dus niet zo heet als op eerdere dagen. Adama vindt dit het fijnste weer dat er is in Mali en ik kan niet anders dan hem gelijk geven.

In het kielzog van Adama dalen we af in de vallei en lopen door het animistische deel van het dorp. Daarna volgt een groot plateau met akkers. Terwijl onze tocht in oostwaartse richting vordert, wordt het landschap geaccidenteerder. Er komen heuvels en rotspartijen. Tot onze verrassing staat we op een gegeven moment zelfs voor een beek met bloeiende waterlelies. Dat is wel het laatste dat ik hier verwachtte. We klimmen tegen een glooiende helling en kijken vanaf de top uit op een gebied vol rotskloven. Zig zag loopt het vaak bijna onzichtbare pad omlaag. Bij een heel diepe kloof volgt een steile afdaling. De kloof heeft wel iets van een trechter. Een komvormig dal dat zich vernauwt tot een smalle en donkere 'schoorsteen'. De wanden van de kloof zijn er niet meer dan vijf meter van elkaar verwijderd.

Over een steile puinhelling van rotsblokken zoeken we in het halfduister voorzichtig een weg naar omlaag. Op een eerste plateau kunnen we even bijkomen van de inspanningen. Dan volgt een nieuwe klauterpartij. Op een tweede plateau komen we weer in het daglicht en wijken de rotswanden. We kijken uit over de vlakte met een aantal okerkleurige zandduinen. Vóór ons en boven ons uit torenen de massieve rode rotswanden van de falaise. In de verte zien we akkers, tuinen en een dorp: onze eindbestemming voor vandaag.

Brede zandpaden voeren ons erheen. In de tuinen wordt druk gewerkt. In tegenstelling tot eerdere tuinen waar we vooral de uienteelt zagen, worden hier veel meer gewassen geteeld. Ik zie mais, graan, wortelen, bloemkool zelfs. Ook hier draait het meeste werk weer om het water halen en uitgieten over de planten. Alle tuinen worden met de hand bevloeid. Manden en kalebassen worden bij de pomp met water gevuld, naar de velden gedragen en daar uitgegoten. Adama vertelt me dat dat ieder veldje tenminste twee maal per dag begoten moet worden om van een goede groei verzekerd te zijn.

Kinderen wijzen ons de weg naar het campement dat wat verscholen ligt achter een blokje huizen. Het is een klein campement met een afdak van riet. Poezen bekijken ons vanaf een ladder van boomstammen. Onder het afdak staat ook de koelkast met koud fris en bier. Het is er vergeven van de vliegen. Gelukkig steken ze niet. Er zijn nog enkele andere gasten, die onze 'invasie' - dat is duidelijk van hun gezichten te lezen - met gemengde gevoelens tegemoet zien. Geen toerist vindt het leuk te veel andere toeristen te ontmoeten. Al die 'witte' gezichten ontnenen je nu eenmaal het gevoel op een ontdekkingstocht te zijn. En dat is toch iets wat de meeste mensen die een land als Mali bezoeken, willen: het land ontdekken, hoe onlogisch dat natuurlijk ook is want de Malinese samenleving is al eeuwenoud en volop onderzocht door antropo- en andere -logen.

Het campement is te klein om er te kunnen kamperen. We mogen onze tenten opzetten op het schoolplein, een stukje verderop. Als dat gebeurd is, rest ons het wachten op de bagage en een korte maar verfrissende douche. Achter een met een handdoek afgescheiden omheining opzij van het campement, steekt een pijpje uit de muur waar water uitkomt. Tegen de tijd dat al deze huishoudelijke zaken zijn afgewikkeld, is het etenstijd. In het donker praten we nog wat na en zoeken vervolgens met behulp van de zaklantaarns onze tenten op.

Zestiende dag, zondag 11 december 2005. De voorzieningen in het campement zijn beperkt. Als ik moet kiezen voor in de rij staan voor de kraan of een wettie gebruiken om mezelf te wassen, is de keus snel gemaakt. Op het grote schoolplein konden de tenten ruim staan en hadden we weinig last van de snurkers onder de reisgenoten. Die zagen er af en toe flink op los. Ik heb vannacht weer eens ongestoord en lang kunnen slapen.

Na het oliebollenontbijt gaan we op weg. We volgen het brede zandpad door akkers en tuinen evenwijdig aan de falaise. Het land hier is vruchtbaar en er is kennelijk voldoende water voorhanden om de gewassen te bevloeien. De ene tuin volgt op de andere. En waar vruchtbare grond en water is, zijn mensen. Nog niet eerder zagen we op onze tocht zoveel dorpen op zo'n korte afstand van elkaar. We komen nu ook in meer toeristische streken - niet dat we veel buitenlanders tegenkomen, maar er zijn veel meer straatverkopers en al dan niet om snoep of geld bedelende kinderen op de been.

Het is vandaag een korte wandeling. Omstreeks het middaguur komen we aan in Tireli, een groot dorp dat deels tegen de helling is gebouwd. Ons campement ligt op een heuvel. Het is een bloedhete dag. Direct de tenten opzetten - vergeet het maar. In de schaduw van een rieten overkapping brengen we soezend of slapend de middag door. Veel meer kan je met deze temperaturen niet doen. Pas als het tegen drieën minder heet wordt, komt er weer wat leven in ons groepje.

We gaan op zoek naar de krokodillenvijver. Tireli staat er bekend en berucht om. De krokodillen die in en om de vijver wonen, worden door de bewoners als heilige dieren gezien. Niemand is veilig voor ze, zo gaat het verhaal. Alleen kinderen laten zij ongemoeid. Het zijn dan ook de kinderen die af en aan lopen met grote schalen en emmers op het hoofd. De vijver is immers óók de waterput van het dorp. Desondanks blijft het een griezelig gezicht, kleine kinderen die onbekommerd hun schalen vullen terwijl de krokodillen om hen heen zwemmen.

Maar misschien moeten we het verhaal toch met een korrel zout nemen. Op verschillende plaatsen op de oever zien we voedsel liggen. De krokodillen worden bijgevoerd met kip - al heten de kinderen dan volgens de legende immuum te zijn, hun ouders nemen kennelijk liever toch maar geen risico's ...

In de lokale bierbrouwerij mogen we proeven. Bier heeft hier nog bijna dezelfde functie als bij ons in de middeleeuwen: het is in tegenstelling tot de waterbronnen altijd veilig om te drinken. Hogerop in het dorp wordt een dansdemonstratie gegeven. We zijn er voor uitgenodigd of liever gezegd, we hebben betaald om de manifestatie te mogen bijwonen.

Een rond zandplein boven in het dorp achter de toguna is de plaats van handeling. Het plein is deels omgeven door lemen huizen en deels door rotsen. De rode falaise torent hoog boven alles uit. In het midden van het plein staat een baobab. De dorpsoudsten hebben een ereplaats aan de kant van de toguna; voor ons is er een plekje aan de zijkant. Gebouwen en rotsen boven het zandplein zijn bezet door dorpelingen, die in grote getale zijn toegestroomd. Al is het vandaag slechts een demonstratie, toch is er veel belangstelling. Dat komt, omdat de dansen en dansmaskers als heilig worden beschouwd. Demonstratie of 'officiële' uitvoering, dat doet er kennelijk weinig toe. Dat zien we ook in de hoek van de voormannen van het dorp. De banken voor de dorpsoudsten zijn tot de laatste plek bezet. Er heerst een sfeer van gespannen verwachting.

Onder de baobab nemen de muzikanten plaats. Op de eerste tonen van de muziek komen de dansers in actie. Achter hun groteske maskers zijn ze onherkenbaar. Dat hoort ook zo want een masker mag nooit af tijdens de dans. In een grote kring gaat het rond, waarbij de dansers ingewikkelde bewegingen uitvoeren. De dans is eigenlijk een demonstratie waarbij alle dansers, of 'maskers', een solo-voorstelling doen. Het is een kleurrijk en exotisch schouwspel waarbij ik me voel alsof ik in een film ben beland. Prachtig!

De Dogon zijn wereldberoemd om hun maskers. In het Dogongebied staan deze maskers niet uitgestald in etalages. Ze maken er wezenlijk deel uit van een ritueel en een systeem van godsdienstbeleving. De Dogons dansen hun maskerdansen om de doden te troosten en hen te helpen aan hun nieuwe situatie te wennen. Elke danser draagt een masker en een vermomming waarmee hij een element uit de levende wereld belichaamt: een dier, een boom, een lid van een andere stam. Hij geeft de ziel van de overledene een beeld van de wereld die hij verlaten heeft: een vogel, een boom, een huis, een danser, een vrouw, een jager. Een prachtig schouwspel. Het masker is van hout of stof. Het verbergt het gezicht van de danser en garandeert (theoretisch althans) zijn anonimiteit.

Het dansen is een fysiek zeer inspannende bezigheid. Niet alleen vanwege de bewegingen maar vooral ook door het gewicht van de maskers, die meer dan vijf kilo wegen. Veel dansers hebben dan ook last van nek en rug. Sommige maskers worden ook met de mond op hun plaatsgehouden; er zitten dan stokjes tussen de tanden geklemd. Het zal niemand verbazen dat je dan ook veel dansers ziet met gaten in hun gebit.

Na afloop van de dansen worden we uitgenodigd om de maskers van nabij te bekijken. Fotograferen is geen probleem, of eigenlijk toch wel, want het ziet er allemaal zo mooi en exotisch uit dat je bijna niet weet waar te beginnen met plaatjes schieten!

Aan het eind van het evenement bedanken we de dorpsoudsten. Eén voor één geven we hen een hand en prevelen enkele van te voren uit het hoofd geleerde dankwoorden in het Dogon. In een lange rij staan we handen te schudden; het lijkt wel een receptie.

Later horen we dat het al de derde keer vandaag is dat de dansers optreden voor een groepje toeristen. Niks unieke ervaring dus! Nou ja, het is een leuke bijverdienste voor het dorp, zullen we maar zeggen. En dan maar hopen dat het geld niet alleen maar bij het dorpshoofd blijft plakken ... Het evenement was, achteraf gezien, een bijzondere mengeling van commercie (want: we moesten betalen), toerisme (want: het werd speciaal voor bezoekers georganiseerd) en oorspronkelijke tradities (want: er werden heilige dansen met ingezegende maskers uitgevoerd). Maar hoe je het ook wendt of keert: je kunt natuurlijk wel de nodige vraagtekens zetten bij de invloed die het toerisme heeft op de oorspronkelijke cultuur van dit volk ...

Nu de dansers zich hebben teruggetrokken, blijft voor de jeugd ons groepje over als voornaamste attractie. Zelfs Adama kan de kinderen die zich om ons verdringen met vragen om een handje, een snoepje of een cadeautje niet meer rustig krijgen. Gelukkig lopen ze maar een klein stukje met ons mee en verspreiden ze zich zodra ze zien dat wij teruggaan naar het campement.

Pieter en ik zetten onze tent op in een kleine binnenplaats van het campement naast die van Katrin en Edward. De meeste reisgenoten kiezen voor de daken van de gebouwen van het campement. Onze plek, in de schaduw van een lemen muur, is echter veel koeler en rustiger. De muur verschaft ook wat luwte. Er is ondertussen een stevige wind opgestoken, die veel stof en zand doet opdwarrelen.

Een openlucht-douche in een hoek van onze binnenplaats frist even lekker op. Na het eten vertelt Adama over de dans die we vanmiddag hebben gezien. Breedsprakig maar ook interessant als altijd, ook al weet gaandeweg het verhaal niet iedereen z'n ogen open te houden. Het valt niet mee om wakker te blijven in de gerieflijke ligstoelen van het campement. Tegen negen uur is dan ook vrijwel iedereen al onder zeil.

Zeventiende dag, maandag 12 december 2005. In het donker wakkert de wind verder aan tot een heuse storm. En het koelt flink af. Ik trek m'n slaapzak maar over me heen. Het is een zeldzaamheid op deze reis dat ik die nodig heb maar deze nacht ben ik er blij mee.

Na het opbreken en de oliebollen richten we onze blik op de rotswand. Vandaag is onze laatste dag in Pays Dogon. Om het gebied te verlaten, moeten we eerst de falaise op. In het plaatsje Daga, op het plateau boven, zal een bus klaarstaan om ons naar Sevaré te vervoeren. Georgette schat dat de beklimming van de 200 meter hoge klif ongeveer een half uur zal duren. Het lijkt me een optimistische schatting.

Over een makkelijk pad van stapstenen dat we van beneden af niet konden zien, klimmen we inderdaad in een half uurtje naar boven. Georgette had dus toch gelijk. We genieten van onze laatste uitzicht op de falaise en de vlakte beneden. Dan richten we onze blik op het noorden. In een klein uur wandelen we over het plateau naar Daga. Daga bestaat uit twee gebouwen en een marktje, eenzaam midden op een onherbergzame rotsvlakte gelegen. In de gebouwen bevinden zich een klein café, een winkeltje en een toilet, kortom: alles wat de moderne mens nodig heeft.

De bus is er nog niet dus we moeten even wachten. Na een half uur wisselen Adama en Georgette veelbetekende blikken. Als dat maar goed gaat met die bus ... Adama gaat er met een geleende brommer op uit om polshoogte te nemen. Pas een uur later komt hij terug, maar ... mét bus. Met enige haast wordt de bagage ingeladen. Over een erbarmelijk slechte weg hotsen en botsen we naar Bandiagara. Daar lunchen we in hetzelfde restaurant dat we op de heenweg, zes dagen geleden, aandeden. Katrin is zo aardig een lekker broodje worst voor me te maken.

Over een veel betere weg rijden we verder naar Sevaré, waar we in de namiddag aankomen. Als stad stelt de plaats niet veel voor, maar ons hotel Mopti is prima! Ik ben verrast door de mooie ruime kamer en de goede faciliteiten. Een heerlijke douche doet het stof van Pays Dogon snel verdwijnen.

's Avonds uit eten. De reisgenoten die het minst met elkaar kunnen opschieten, schuiven bij elkaar aan tafel. Het is geen opzet maar wel alsof de duvel ermee speelt; kort na elkaar wandelen ze hetzelfde restaurant binnen. De sfeer is matig en als aan het eind van de maaltijd er nog gesteggeld wordt over een fooi, hef ik de zitting maar eenzijdig op. Langs de donkere weg loop ik terug naar het hotel. Ik heb vanmiddag niet goed opgelet en me ook de naam van het hotel niet goed ingeprent. Dom, want nu loop ik te zoeken en kan ook moeilijk de weg vragen naar een hotel waarvan ik de naam niet meer precies weet. Wat ik me wel herinner is hoe de entree er uit zag. Dus loop ik gebouw in, gebouw uit om te kijken of ik het grote bruin gemêleerde bankstel ergens kan terugvinden!

Zoekend loop ik rond, kwaad op mezelf dat ik niet even beter heb opgelet. Het is al aardig stil op straat; iedereen is naar huis. Dat geeft een wat unheimisch gevoel. Na eerst veel te ver te hebben doorgelopen, keer ik op mijn schreden terug. En gelukkig, na een klein half uur zie ik iets bekends. Ik was nog nooit zo blij om zo'n lelijke zitbank terug te zien!

Door de airco is een goede nachtrust verzekerd. Na de ergernis over de ongezellige avond en de dwaaltocht door eigen schuld val ik als een blok in slaap. Lees verder ...