Mali, 26 november-17 december 2005 - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

ReisMagazijn > Mali - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

De reis

Van Birma naar Mali (niet naar Bali) | Djenné | Boottocht over de Bani | Tussenstop in Mopti | De Tellem |
Naar Timboektoe | Timboektoe | Hombori | Mopti | Pays Dogon | Ségou | Naschrift | Meer over Mali

Eerste pagina van deze reis | De foto's
Timboektoe

Achtste dag, zaterdag 3 december 2005. Het Bactou is een hotel in typische Malinese campement-stijl. Defecte airco's, muskietennetten met gaatjes, kleine en volle kamertjes. Door het ontbreken van een ventilator is het een warme nacht.

Gezamenlijk wandelen we door de stad naar de Djinguereber-moskee. Dit is de enige moskee in Mali die bezichtigd mag worden door niet-Moslims. Het gebouw dateert van 1327. Bij de deur trekken we onze schoenen uit die onder bewaking van een paar jongetjes op straat achterblijven. Het interieur is sober en het is na het felle zonlicht even wennen aan het donker. De moskee is door al het leem een zwaar bouwwerk. Er zijn dus heel veel steunkolommen nodig om het dak te dragen. Ik schat dat de kolommen zeker een kwart van het vloeroppervlak in beslag nemen. Ons verblijf in de donkere ruimte wordt verlevendigd door de uitgebreide uitleg en de interessante verhalen daaromheen. Via een smalle wenteltrap komen we op het dak, waar we een kijkje kunnen nemen bij de minaret. Van hier af hebben we een aardig uitzicht over de stad.

In de brandende zon wandelen we door de zandstraten van Timboektoe naar ons volgende culturele intermezzo: het Nationaal Museum. Aardig, maar met de temperaturen van vandaag is het moeilijk m'n aandacht er bij te houden. Het is nog vroeg in de ochtend maar de thermometer wijst al 38 graden in de schaduw aan. In de zon is het dan 46 graden - die vermijden we dan ook zoveel mogelijk.

Na het museumbezoek verkennen we de stad met een gids. Katrin, Edward, Pieter en ik wandelen met een jonge Touareg mee. Abba heet hij. "Niet uit Zweden", voegt hij wat overbodig toe bij het voorstellen. Zijn werkelijke naam is een stuk ingewikkelder; voor het gemak laat hij zich door westerlingen dus maar Abba noemen. Het is prettig dat we in kleine groepen op pad kunnen. Een gids schijnt hier onvermijdelijk te zijn. Ik lees althans in de reisgidsen, dat je op eigen houtje voortdurend wordt lastig gevallen. Het 'wandelende-portemonnee-effect' ... Of dat allemaal waar is? Ik blijf regelmatig wat achter door mijn gefotografeer, maar ben geen enkele keer lastig gevallen.

Abba vertelt ons de geschiedenis van de stad en hoe gevaarlijk het vroeger was voor westerlingen om zich hier heen te wagen. Timboektoe werd in de elfde eeuw door de Toeareg gesticht en ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste handelscentra op de grens tussen de Arabische wereld en Zuidelijk Afrika. Het hoogtepunt werd bereikt onder de Songhai in de vijftiende en zestiende eeuw. De stad telde toen meer dan 100.000 inwoners en was een beroemd centrum van Islamitische cultuur en wetenschap. Later raakte de stad in verval. Vanaf de achttiende eeuw zochten Europese ontdekkingsreizigers naar de legendarische goudstad Timboektoe waarvan men wel gehoord had, maar waar nog nooit iemand geweest was. De meeste avonturiers stierven onderweg aan ziekten of tijdens schermutselingen met vijandige stammen. Pas in 1826 wist de Schot Gordon Laing de stad te bereiken. Hij had weinig plezier van zijn prestatie, want hij werd al kort na de aanvang van zijn terugreis vermoord. De eerste Europeaan die wel terugkeerde, was de Fransman René Caillié. Hij bezocht Timboektoe in 1828 toen de stad zijn meeste grandeur al kwijt was en nog slechts 8.000 inwoners telde. De volgende 'ontdekker' kwam pas in 1853. De Duitser Heinrich Barth bleef acht maanden in de stad en tekende fraaie gedetailleerde afbeeldingen van de stad. Als je die met het Timboektoe van nu vergelijkt, zie je dat er nog niet zo heel veel veranderd is.

We gaan de huizen van de eerste ontdekkingsreizigers bekijken. Door smalle hoekige zandstraatjes lopen we er heen. De huizen zijn aan de buitenkant netjes gerestaureerd, compleet met plaquette. In één ervan is een klein museumpje gevestigd; ik koop er een brochure over de 'ontdekking' van Timboektoe. De anderen zijn gewoon bewoond en dus niet toegankelijk voor nieuwsgierige toeristen. Wat me wel opvalt als ik in de donkere deuropening naar binnen tuur, is dat er ook binnen zand op de grond ligt. Abba vertelt desgevraagd dat het koeler is dan steen of cement. Nooit geweten.

Overal waar we lopen, worden woningen gerepareerd. Overal liggen stapels stenen, van kalksteen en leem en andere bouwmaterialen. Het is kort na het regenseizoen en dus de tijd dat veel bewoners druk bezig zijn met het herstellen van de schade die de regens aan hun lemen huizen hebben aangericht.

Op open plekken in de stad bivakkeren de Bela in hun schamele hutten en tenten. De Bela zijn een nomadenvolk, dat voornamelijk de kost verdient met daglonerswerk bij het binnenhalen van de oogst en met transportwerk en dergelijke. Ze lijken me duidelijk een 'mindere' bevolkingsgroep. Abba vertelt, dat de Bela vroeger de slaven van de Touareg waren. In houding en maatschappelijke positie is daarvan, zelfs bij een vluchtig bezoek als het onze, nog steeds iets te merken.

Langs begraafplaatsen van heiligen - Timboektoe is de stad van 333 heiligen - bereiken we het grote stadsplein waaraan de universiteit en de grote Sankoré-moskee liggen. Ook dit plein is ongeplaveid. In heel Timboektoe is geen enkele weg bestraat. Van het luisterrijke verleden is niet veel meer over, maar een hele stad met zandpaden - dát maakt de stad - met 32.000 inwoners - in mijn ogen uniek.

De moskee is een apart bouwwerk. Heel anders dan bij de traditionele lemen bouw waarin de moskeeën op paleizen of kathedralen lijken, staat hier een grote, door de strakke vormen modern aandoende, piramide van leem. Op regelmatige afstand steken houten palen een stukje uit. Het is dezelfde techniek die bij de traditionele bouw gebruikt wordt ter versteviging van de constructie en als steiger bij reparaties. De moskee straalt met zijn vormgeving, die sterkt afwijkt van de andere gebouwen er omheen, wel iets bijzonders uit.

Abba vertelt dat op het grote plein regelmatig voetbalwedstrijden worden gehouden. Timboektoe heeft geen stadion, dus vinden de wedstrijden gewoon op straat, in de stad, plaats.

Enkele straten verder zien we dat het drukker wordt op straat. We naderen de centrale markt. Een rechthoekig plein is omzoomd met winkels en middenop een knallend rood reclamebord voor mobiel bellen - ook hier! In de schaduw van enkele bomen zijn overdekte stalletjes waar groenten en fruit wordt verkocht. Aan het plein staat ook de grote overdekte markthal van drie verdiepingen. In de volksmond wordt het 'de grote markt' genoemd.

In de koele donkere hal wordt van alles verkocht. We zien groenten en fruit en daarachter stalletjes met kruiden. Op een kleed liggen ondefiniëerbare voorwerpen die geneesmiddelen blijken te zijn, althans, er wordt een geneeskundige kracht aan toegekend. Verder zien we er veel kleding. Soms nieuw, soms tweedehands, uit het westen. Weer zo'n voorbeeld van weggegeven kleding die hier door handige handelaren te gelde wordt gemaakt.

Achter de hal begint 'de kleine markt', geeft Abba aan. Ik weet niet of hij de twee door elkaar haalt - in elk geval is de kleine markt vele malen omvangrijker dan de grote. Op een grote open vlakte - eigenlijk is het een drooggevallen rivierbedding - staat een enorme verzameling kramen, zijkanten beschut met rieten matten en van boven tegen de zon afgedekt met doeken en plastic.

In de smalle paden krioelt het van de mensen. Het loopt tegen het middaguur, kennelijk een moment van topdrukte hier. We zoeken voorzichtig een weg door de menigte. We bevinden ons in het deel van de markt waar vis wordt verkocht. Dat is meestal geen verse, want dat is bij de temperaturen in Timboektoe bijna onmogelijk. In de meeste gevallen gaat het om gedroogde vis. Het ziet er wat onooglijk uit. De gedroogde vissen zijn nauwelijks als zodanig te herkennen. De koopwaar wordt belaagd door grote zwermen zwarte vliegen. De verkopers hebben alleen al een dagtaak aan het verjagen van de insecten. Desondanks vindt de vis gretig aftrek bij de marktbezoekers.

Behalve vis zien we op deze martk ook veel gereedschappen en - alweer - kleding. Aan het einde van de rijen donkere marktstalletjes is de veemarkt, waar het vandaag vooral koeien en geiten zijn die van eigenaar wisselen.

Na het marktbezoek volgt een lange wandeling door het warme zand van de hoofdstraat naar de rand van de stad voor de lunch in restaurant Patisserie. Na de maaltijd wandelen we terug naar het hotel waar we afscheid nemen van onze vriendelijke en innemende gids Abba.

In de namiddag splitst de groep zich opnieuw. Een deel gaat per kameel de woestijn in, waar we zullen overnachten in tenten bij een Touaregfamilie; een ander deel - waaronder ik zelf - verkiest de comfortabeler stoelen van de landrover.

Een stuk buiten Timboektoe, in de halfwoestijn die de stad omgeeft, wonen semi-nomadische Touareg. Bij een van deze families mogen wij overnachten. Zij wonen in een soort kom van zand, in de beschutting van een zandduin. De familiecirkel is afgezet met acacia's en andere prikkelstruiken, die een voor dieren ondoordringbare muur rondom de kampplaats vormen. Er staan authentieke Touaregtenten voor ons klaar maar bij nader inzien verkiest iedereen toch maar z'n eigen tent. De Touraregtenten zijn open en hebben geen muskietengaas. Ongedierte kan dus 's nachts ongehinderd binnenkomen en dat lijkt niemand een aantrekkelijk idee. Trouwens, binnen de cirkel is ruimte genoeg om alle tenten op te zetten.

De Touaregfamilie waar wij bij verblijven bestaat uit man, vrouw, kind en ... een poes. Ik had nooit gedacht een poes in de woestijn te zien. Maar het wat stoffige beestje schijnt zich hier prettig te voelen. We hebben overigens maar nauwelijks contact met deze mensen die alleen hun eigen taal spreken en zich zelf ook wat op de achtergrond houden.

Terwijl de maaltijd wordt bereid, kleurt de hemel langzaam paars en rood. Tijdens het eten is er nog even een spannend moment: Een nieuwsgierige schorpioen wandelt de kring binnen, vlak langs mijn zitplaats. M'n nekharen gaan er van overeind staan. Het woord 'schorpioen!' is genoeg om onze gidsen direct in actie te brengen. Met een flinke trap wordt het dier weggeschopt en vervolgens doodgetrapt. Met deze dieren wordt in de woestijn geen enkel risico genomen.

Na het eten is er een dansvoorstelling van Touaregvrouwen. Wat begint als een toeristisch vermaak loopt later op de avond uit op een écht feest als vrouwen van andere families, aangetrokken door de muziek en het gezang en het houtvuur, aan de dansen gaan deelnemen. Naarmate de tijd vordert, worden danseressen, muzikanten en toeschouwers steeds enthousiaster. Een leuke avond. Lees verder ...