
ReisMagazijn > Mali - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger
De reis
Van Birma naar Mali (niet naar Bali) |
Djenné |
Boottocht over de Bani |
Tussenstop in Mopti |
De Tellem |
Naar Timboektoe |
Timboektoe |
Hombori |
Mopti |
Pays Dogon |
Ségou |
Naschrift |
Meer over Mali
Eerste pagina van deze reis | De foto's
Naar Timboektoe | Timboektoe | Hombori | Mopti | Pays Dogon | Ségou | Naschrift | Meer over Mali
Eerste pagina van deze reis | De foto's
De Tellem
Zesde dag, donderdag 1 december 2005. "Zou onze was al klaar zijn?" Het is mijn eerste gedachte na een deels doorwaakte, klamme nacht zonder airco. "Nog niets te bekennen", rapporteert Pieter die, vroeg uit de veren, al polshoogte heeft genomen bij de hotelreceptie. Later nog maar eens vragen. "Nog vijftien minuten", is dan het antwoord. Pieter en ik kijken elkaar aan. Eerst maar eens eten. Gek eigenlijk hoe zo'n onbenulligheid je op reis bezig kan houden. Na het eten ligt de was inderdaad voor ons klaar en nog keurig gestreken ook. We pakken de bagage in en zoeken een plekje in één van de vijf landrovers waarmee we in de komende twee dagen naar Timboektoe zullen reizen.
Er staat vandaag een harde wind. Aan de overkant van de rivier zien we stof en zand hoog opwaaien. In de jeeps valt het gelukkig wel mee, mede dankzij het sjaaltje van Marjan dat nu goed van pas komt. We verlaten Mopti en komen in het Office du Niger, een delta met rijstvelden zover het oog reikt.
Ook op deze rit zijn er weer de gebruikelijke stops bij politieposten. We zijn er al helemaal aan gewend geraakt.
Naarmate we noordelijker komen, wordt het landschap wat droger en kaler. De rijstvelden maken plaats voor een savanne met akkertjes, doornstruiken, acacia's en baobabs. Bij een meertje langs de weg wordt een grote kudde gedrenkt. Leuk om van wat dichterbij te bekijken maar de herders, Bela, geven aan niet van ons bezoek gediend te zijn. Doorrijden dan maar? Nee - Georgette weet het ijs te breken door een fotosessie met de hoofdman. Het lijkt er op dat hij voor het eerst fotografeert - met Georgette's camera. Het aardige van zo'n digitale camera is natuurlijk dat het resultaat direct bekeken kan worden. Al gauw wordt er flink op los geknipt.
Ondertussen dwaal ik langs de oever van het meertje, temidden van de kudde. De dieren zien er goed uit, wat magerder en taniger dan de Nederlandse melkkoe, maar toch redelijk weldoorvoed. Er lijkt me in dit gebied dan ook genoeg water en voedsel voor ze te vinden. Als goede vrienden nemen we afscheid van de Bela en rijden verder over de gerafelde asfaltweg naar het noorden.
Het landschap wordt droger. Het gras verdwijnt, het zand verschijnt. Bij een waterpoel rijden de jeeps abrupt de weg af en parkeren in de schaduw van enkele acacia's: lunchtijd. Terwijl reisgenoten samen met Adama de lunch klaarmaken, wandel ik wat rond. In de bomen rondom de waterpoel huizen vele vogels. Tijdens een wandelingetje naar de poel vliegen hele zwermen verschrikt op.
Aan de andere kant van de poel graast een kudde koeien. Ik knoop een praatje aan met de herders - zo goed en kwaad als dat gaat dan, want ik spreek geen Peul en zij geen Engels. Maar met wat gebarentaal komen we toch een heel eind (en op de foto).
Terwijl wij eten, komen meer mensen op ons af. Alsof ze het ruiken! Vaak is er door Adama al op gerekend en is er wat extra's gemaakt om uit te delen. Zo ook nu. Ik merk ook nu weer dat als de aanvankelijke verlegenheid overwonnen is, mensen eigenlijk best graag gefotografeerd willen worden. Voor de verandering wordt ik er zelf ook eens opgezet, door Edward die mij fotografeert met enkele meisjes die eensklaps uit de struiken opdoemden en nu lekker een hapje couscous mee-eten.
Omstreeks twee uur 's middags arriveren we bij Chez Jerome, een campement aan de rand van het plaatsje Douentza. Op het binnenterrein - eigenlijk meer een akker - zetten we onze tenten neer. Met de ingang van de wind af want het waait nog steeds, al is de wind wel minder geworden. Van alle kanten dringt stof in onze neuzen, oren en ogen. Ook de tenten blijven niet schoon. Vanwege de warmte gebruiken we alleen de binnententen. En het muskietengaas houdt natuurlijk wel de insecten, maar niet het stof buiten.
Een uur na aankomst rijden we naar een nabijgelegen dorp met een mooie lemen moskee, omgeven door dorre gierst-akkers aan de rand van een enorme bruin-rode rotswand. Dat is nu de beroemde Falaise van Bandiagara, waarin en waarlangs de Dogon leven. We zijn echter niet voor de Dogon naar dit dorp gekomen maar voor hun 'voorgangers', de Tellem.
Hoog in de rotswand zijn overblijfselen van een nederzetting en een grafgrot te bezichtigen. Dat is het doel van onze tocht. Vanaf de waterput van het dorp loopt een smal zandpad door de gierstvelden naar de rotswand. Het is een imposant gezicht als je aan de voet van de rotsen omhoog kijkt naar het grillige verloop van de klif, die hier zeker tweehonderd meter hoog is. Nu maar hopen dat er geen stenen omlaag komen!
Over een nauwelijks zichtbaar pad gaan we over de rotsen omhoog. Na korte tijd komen we bij een lange houten ladder, gemaakt van één enkele boomstam met inkepingen voor de voeten. De ladder leidt naar een grot waar bijen leven. Dorpelingen halen daar honing weg, een gevaarlijk karweitje want de bijen zijn aggressief en laten de inbreuk in hun domein niet zo maar toe. De ladder ziet er oeroud uit. Volgens de overlevering staat hij hier al honderden jaren - maar het kunnen er ook tientallen zijn. Cijfers hebben in dit afgelegen oord een andere betekenis dan bij ons.
Achter ons klinkt luid gekrakeel. Ruzie? Beneden aan de rots zie ik Georgette druk gebaren tegen een eveneens hevig met z'n armen zwaaiende man. Het blijkt later een lokale gids te zijn, die er op staat met ons mee te lopen (en uiteraard daar iets voor te krijgen). Adama komt er bij, het geschil wordt geschikt. De gids vertelt, Adama vertaalt.
Nadat op omstandige wijze het verhaal van de ladder nogmaals is verteld, keren we op onze schreden terug en slaan een ander pad in. Als Adama me het niet had gewezen, had ik het niet gezien. Over rotsstenen klauteren we in een nauwe spleet omhoog. Het pad valt me zwaar maar de weidse uitzichten op het dorp en de vlakte zijn ongeëvenaard.
De akkers rondom het dorp zijn bijna cirkelvormig aangelegd. Voorbij de kring van akkers gaat het landschap over in een zandvlakte met een schaarse begroeiing van bomen en struiken die wordt begrensd door grote rotsformaties. Door de warmte en het stof in de atmosfeer zijn ze wazig-blauw afgetekend tegen een melkwitte hemel. Hier en daar komt water aan de oppervlakte, in de vorm van een riviertje of poel. Die plekken zijn duidelijk herkenbaar aan het groen dat daar uitbundig groeit.
Bijna loodrecht gaan we omhoog in een smalle spleet in de rotswand. Het prachtige uitzicht is alleen te bewonderen als we even stilhouden. Het klimmen over het lastige pad eist alle aandacht op.
We komen uit op een plateau hoog in de rotswand. In een diepe nis, verborgen achter een muurtje, liggen menselijke overblijfselen. Botten, schedels, bekkens. Er tussenin liggen gerafelde lappen stof: resten van lijkwades. Het is me wel even vreemd te moede. Hier staan we dan bij de resten van een verdwenen volk. Als ik het goed heb begrepen, liggen deze botten en lijkwades hier al bijna duizend jaar onaangeroerd. Ik kan me bijna niet voorstellen dat het écht zo is. Adama schijnt er niet aan te twijfelen. Georgette, die ik er later naar vraag, haalt haar schouders op. "Het is soms erg moeilijk om er achter te komen wat waar en niet waar is. Het is wel een feit dat er voor de dorpelingen een taboe rust op de overblijfselen van de Tellem. En dat er geen toerist komt zonder dat hij of zij door een gids uit het dorp wordt begeleid."
Beelden van onze klimtocht naar het plateau en overblijfselen van de Tellem kunt u hier zien.
Terwijl wij uitrusten op het plateau en de omgeving in ons opnemen, vertelt de inheemse gids ons de geschiedenis van de Tellem.
Voorzichtig dalen we weer af door de rotsspleet. Terug in het dorpje bewonderen we de bijzondere architectuur van schuren en huizen. Het is vast een voorproefje van wat we later op deze reis in het Dogon gebied zullen zien.
De landrovers zetten ons af bij een meer dat we op de heenweg al zagen. Het is nog een uur voor donker; genoeg tijd om de korte wandeling terug naar Douentza nog bij daglicht te maken.
Door hoog gras wandelen we naar de oever. Alhoewel er geen mensen wonen, is het er toch allesbehalve stil en verlaten. Herders weiden hier hun kuddes geiten en koeien. Tegen de achtergrond van het getjirp van krekels klinkt het afscheuren van het malse gras door de grazende dieren en incidenteel het gelui van een koeiebel. Het meer is grotendeels bedekt met bloeiende waterlelies. De begroeiing is zo dicht dat bijna niet te zien is waar de oevers ophouden en het water begint. De laagstaande zon spreidt een zacht licht over het lelieveld en de wazige, door warme luchtwervelingen vervormde bergmassieven aan de horizon.
Over een stoffige zandweg lopen we naar de asfaltweg die Douentza met de rest van Mali verbindt. Terwijl de schemering invalt, wandelen we het campement Chez Jerome binnen. Na het avondeten verkassen we naar het terras. Met een biertje en een praatje vliegt de avond om. Lees verder ...
HetMagazijn