Mali, 26 november-17 december 2005 - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

ReisMagazijn > Mali - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

De reis

Van Birma naar Mali (niet naar Bali) | Djenné | Boottocht over de Bani | Tussenstop in Mopti | De Tellem |
Naar Timboektoe | Timboektoe | Hombori | Mopti | Pays Dogon | Ségou | Naschrift | Meer over Mali

Eerste pagina van deze reis | De foto's
Boottocht over de Bani

Na het ontbijt vertrekken we uit Djenné. Met lokaal vervoer rijden we naar de plek bij de rivier de Bani waar we eergisteren met de veerpont aankwamen. Daar zullen we overstappen op een pinasse, een grote houten boot waarmee we enkele dagen over de rivier zullen varen.

De bus en auto's van de lokale verhuurder zien er ongelooflijk uit. Niet alleen zit er geen verf meer op de wagens; verschillende onderdelen worden letterlijk met plakband bij elkaar gehouden. De motorkap is ruw van roest en aan alle kanten zitten de voertuigen vol met butsen en deuken. De banden zijn gladder dan een biljartbal en tot op de velg versleten. Ook ín de wagens is het oppassen. In het busje waar ik op de voorste bank een plekje zoek, is een deel van de vloer verdwenen. Gelukkig is het maar een klein stukje rijden.

Krakend en piepend draaien de gammele wagens de zandige oever op en parkeren langs de waterlijn. Onze bagage wordt snel overgeladen op de met kleurige kussens versierde pinasse. Onmiddelijk na het uitstappen worden we omgeven door handelaars, die hier in schamele hutjes langs de oevers wonen. Dankzij de veerboten is hier regelmatig verkeer en dus handel. Sommigen van hen dragen mutsen en zelfs jassen afgezet met bont. Ochtendkilte? Toch is de temperatuur al zeker boven de 20 graden Celcius.

Om negen uur varen we af. De zon brandt al flink. De rieten overkapping van onze pinasse is dan ook geen overbodige luxe. Er is ruimschoots plaats voor iedereen en wie dat wil, kan ook nog op het rieten dak klauteren. Achterop de boot is een toilethuisje, ook van riet. Voorzichtig zoekt onze stuurman de weg door stromingen en langs ondiepten. De rest van de bemanning is onmiddelijk na de afvaart begonnen aan het bereiden van eten.

Langzaam schommelend koersen we oostwaarts over het blauwgrijze water van de Bani. Het varen op de rustige brede rivier is heerlijk ontspannend en verkoelend. De oevers, aan weerszijden zo'n vijftig meter van ons verwijderd, zijn zandig. Tussen het okergeel groeit hier en daar een struik en wat gras. Verderop in het land tronen de baobab-bomen boven alles uit. Je zou denken dat het land onbewoond is, maar af en toe steekt een hoofd omhoog vanuit de velden langs de rivier. En een enkele maal passeren we een piroque met een visser die zijn netten heeft uitgeworpen.

Na een tijdje komen we bij een groepje schamele rieten hutten aan de oever. "Dat moeten wel heel arme mensen zijn", is m'n eerste indruk. Maar Georgette corrigeert: "Het is een tijdelijk dorp van de Bozo, de visserslui van Mali. Omdat de rivier al naar gelang de droge of de natte periode enorm slinkt en uitdijt, vinden zij het handig om met zulke snel gebouwde en makkelijk te verplaatsen hutten dicht bij de oevers te wonen. Zo kunnen zij hun boten, netten en vangsten goed in de gaten houden en hoeven ze niet iedere dag grote afstanden te overbruggen van dorp naar rivier."

Nu pas merk ik op hoe hoog het water in de rivier een maand geleden, bij het eind van het natte seizoen, moet hebben gestaan. Georgette vertelt dat de waterstand ten opzichte van haar laatste bezoek aan deze plek, een kleine maand geleden, al meters is gedaald. Op het hoogtepunt - of dieptepunt, hoe je het wil noemen, van het droge seizoen zal er van de soms meer dan honderd meter brede rivier slechts een smalle stroom zijn overgebleven.

Kuddes koeien en geiten worden gedrenkt in de rivier. De herders staan er omheen en houden hun dieren goed in de gaten. Wij zwaaien, zij zwaaien terug. In de bomen langs de oevers nestelen ooievaars, reigers en marabouts. De rustige tocht heeft een kalmerende invloed. Na de hectische marktdag in Djenné is het heerlijk nietsdoen op het kabbelende water in deze mooie omgeving.

Na twee uur varen leggen we aan bij Barako, een klein dorp dat een stukje landinwaarts ligt. De pinasse wordt afgemeerd in een kleine inham, waar twee piroques langs de kant in het water schommelen. Op de oever zijn vrouwen bezig met het wassen van kleding en voedsel. Dat alles gebeurt op dezelfde plek. Over een wiebelige plank schuifelen we van boord.

Over een uitgesleten pad omzoomd met verdorde akkertjes wandelen we naar Barako. Na de relatieve koelte van de rivier omhult de hitte ons als een warme deken. Volop zwetend bereiken we de eerste lemen huizen. Daar staat al een groepje nieuwsgierige dorpelingen op ons te wachten. Het lijkt alsof er nooit eerder een westerling in dit dorp is geweest, maar dat kan haast niet. Wij zijn beslist niet de eerste toeristen die de tocht over de Bani maken en, al zal niet iedereen bij dit dorp hebben afgemeerd, er zullen toch zeker eerdere bezoekers zijn geweest.

Aan de belangstelling is dat echter niet te merken. We zijn duidelijk hét evenement van de dag, zo niet van de week, en als zodanig dus meer dan welkom. Mijn keurig ingestudeerde Bambara-groet wordt niet alleen verstaan maar ook vriendelijk beantwoord.

Het lijkt me niks om met een hele groep mensen door zo'n klein dorpje te lopen. Dus ik zonder me af en ga er alleen op uit. Ik loop door smalle straatjes omgeven door hoge lemen muren. Leem is hier hét bouwmateriaal; iets anders zie je niet. Her en der is er een doorkijkje, via een openstaande deur of poort. Zo wordt me een blik vergund op de opgeruimde binnenplaatsen. ik zie er dieren rondscharrelen - kippen, geiten en ezels; kinderen spelen, moeders maken het eten voor vanmiddag klaar. Vaak staan er één of meer bomen, soms met een bankje eronder. Op deze schaduwrijke binnenplaatsen speelt het dorpsleven zich af.

De moskee van het dorp is als zodanig bijna onherkenbaar. Het lijkt wel een kunstwerk van Le Corbusier. Hier geen spitse minaretten maar afgeronde lemen 'heuvels' op het platte dak die naar de hemel torenen. Het duurt even voor ik me realiseer wat voor gebouw dit is. De schoenen voor de poort helpen me echter snel uit de droom. Aan de overzijde van de straat is een beschaduwd terrasje met makkelijke stoelen waar oude mannen onderuitgezakt zitten te soezen in de warmte. Op een wankel tafeltje staat een theepot met wat kopjes. Een privé terras of een openbaar theehuis? Dat wordt niet duidelijk. Het is overigens wel grappig om de analogie te zien met de dorpen op 'ons' platteland. Daar vindt je ook meestal naast de kerk een caféetje. Soms lijkt het werkelijk alsof er niets nieuws onder de zon is!

Verder gaat de wandeling. Het dorp is maar klein, verdwalen is niet mogelijk en het is dus helemaal niet erg dat ik in de smalle kronkelige straatjes mijn oriëntatie verlies. Zo dwaal ik van huis naar huis, van binnenplaats naar binnenplaats. Het dorp ziet er schoon uit. Geen afval van papier en plastic. De rest wordt hier natuurlijk door de kippen, geiten en ezels opgeruimd.

Al spoedig heb ik een hele sliert nieuwsgierige kinderen achter me aan. Je kunt wel alleen op pad gaan, maar lang alleen blijven in zo'n dorp is nu eenmaal een onmogelijkheid. De kinderen zijn vriendelijk, uitgelaten soms, willen allemaal een hand en soms even strelen over de haartjes op m'n armen - een gek gezicht vinden ze dat. Opgewekt wordt commentaar geleverd op wat ik doe, wat ik zeg, wat ik aanheb. Vooral de meisjes rebbelen heel wat af onder elkaar. Het aardige is dat het slechts om het contact gaat. Niemand die er ook maar aan denkt om om un cadeau te vragen. We vinden het, over en weer, slechts een interessante ontmoeting.

Af en toe maak ik, met toestemming, wat foto's. Digitale camera's zijn hier nog iets bijzonders en de mogelijkheid om jezelf te kunnen zien op het kleine schermpje achterop mijn camera zorgt voor grote opwinding.

Sneller dan verwacht is de afgesproken tijd om. Op mijn gemak wandel ik terug naar de rivier. De kinderen doen me uitgeleide. Buiten het dorp gekomen, zie ik in de verte een waterput. Het is, zo begrijp ik, de enige watervoorziening in het dorp. Een meisje dat bezig is water uit de put te tappen, is blij verbaasd met mijn belangstelling (en ik voel me uiteraard vereerd daardoor).

Met de kinderen, die nog steeds achter mij aan wandelen als was ik de rattenvanger van Hamelen, doe ik wat spelletjes bij de boot. Lang niet alle reisgenoten zijn al terug dus er is nog alle tijd voor een spelletje, een praatje, wat lachen en wat kijken. De vrouwen die hier bezig zijn met was en eten komen dichterbij. Zouden ze op de foto willen?, vraag ik mezelf af. Het blijkt geen enkel probleem. Ze poseren met plezier en ook hier zorgt het schermpje waarop ik het fotoresultaat kan laten zien weer voor veel opwinding en hilariteit.

Ondertussen zijn alle reisgenoten gearriveerd. Over de wiebelige plank de boot op. De motor wordt gestart, het touw losgegooid, langzaam drijven we van de oever weg. Het halve dorp zwaait ons uit, wat een mooi gezicht!

Tijd voor de luch. Terwijl de boot langzaam doorvaart, genieten wij van een lekkere couscous met een wat onbestemde maar smakelijke groente-en-vleessaus. Meloen en sinaasappels na.

Gaandeweg wordt de rivier smaller. Langs de oevers zien we nu regelmatig kuddes koeien en geiten. Ze grazen het armetierige gras af en vertrappen de oevers tot een modderpoel. Tot hun buik staan ze soms in het water. Lekker koel natuurlijk. Het is nu half twee en het wordt warmer en warmer. Aan de overkapping van onze pinasse worden sjaals en doeken opgehangen om de hete zonnestralen te weren.

In de middag leggen we aan bij een tweede dorp. Eigenlijk is het een kleine verzameling van dorpen rond een zijarm van de rivier. Het eerste dorp dat we alleen vanaf onze boot bekijken, heeft als middelpunt een prachtige lemen moskee. Het gebedshuis ziet er uit als een middeleeuws kasteel, met haar vele minaretten en kantelen.

Een stukje verderop meren we af temidden van grote bedrijvigheid. Vanaf deze plek vaart namelijk ook de pont naar de overkant. Een echte pont hebben ze hier niet; alle vervoer gaat met kleine piroques of als het meezit, met een wat grotere pinasse.

We wandelen langs een moerassige baai - de op verschillende plaatsen bijna drooggevallen rivierarm - naar het plaatsje Sofare. Sofare ligt anderhalve kilometer verderop en het is bekend vanwege de grote markt die daar wekelijks wordt gehouden. Anderhalve kilometer lijkt niet lang maar onder de felle zon valt het toch niet mee. In de schaduw wijst de thermometer al 44 graden aan. Ik geloof niet dat ik eerder zo'n warmte heb meegemaakt.

Het zandpad langs de rivier loopt naar boven over de oeverwal heen, het dorp in. We lopen door een lange smalle straat met gesloten huizen. Het is er stil. De mensen zijn op de markt of hebben een koel plekje opgezocht om de hitte te ontlopen. In het midden van het dorp ligt een plein met moskee en café. Bij het theehuis worden we vriendelijk begroet door een groepje oudere mannen die hier op hun gemak de middag doorbrengen met een kop thee en een spelletje.

Even verderop ligt het grote marktplein. Een zandige vlakte met veel bomen die het felle zonlicht filteren. Aan één zijde van het plein is een grote open markthal gebouwd met een dak van roestige ijzeren platen. Djenné vond ik al vol en druk, maar hier staan de stalletjes zo mogelijk nóg dichter op elkaar en lopen nóg meer mensen rond. Het is ondanks de drukte en het lawaai wel heel sfeervol op de markt, onder het gedempte licht van het dichte bladerdak.

Onder de bomen worden vooral voedsel en kruiden verkocht. Ik zie zoete aardappelen, knollen en wortels en nog heel veel soorten groente die ik niet herken. In de hal zijn het vooral gereedschappen die van eigenaar verwisselen. Dat varieert van schroevendraaiers tot zaagmachines en motoronderdelen. Het ruikt er naar smeer en olie. Aan de andere kant van de hal is een open plek waar de veemarkt wordt gehouden. Hier handelen vooral de Peul, met hun karakteristieke hoeden, in geiten, schapen, kippen en koeien. De onderhandelingen over de prijs laaien soms fel op. Het is niet altijd duidelijk of het nu om loven en bieden of om een ruzie gaat.

Ik wandel naar de rand van de markt om een beetje de rust op te zoeken. Via een klein steegje beland ik achter de huizen waar op een grote vlakte de karren en trekdieren van de marktgangers gestald zijn. Het is een grote markt, net als in Djenné. Op de vlakte staan dan ook honderden karren. Ezels en ossen plukken wat aan het armetierige gras. Veel groeit er niet; de dieren zullen vandaag niet aan hun trekken komen. Voor veel mensen hier zal trouwens hetzelfde gelden ... Als zie je de armoe niet zo duidelijk in het straatbeeld als in sommige andere landen, arm is het hier wel. Velen zullen op het randje van het bestaansminimum balanceren, zeker nu de droge tijd weer is aangebroken.

In een kalm tempo wandelen we terug naar onze pinasse en klauteren weer aan boord. Rondom ons is de drukte alleen maar toegenomen. Er liggen verschillende boten afgemeerd, volgeladen met mensen en goederen. Enkele mannen zijn bezig een ezel aan boord van een piroque te hijsen. Het angstige dier spartelt uit alle macht tegen. Het schouwspel trekt ieders aandacht, niet in het minst die van de alomtegenwoordige kinderschaar die met opgewonden commentaar het geworstel tussen ezel en mens volgt.

We varen weer. Dat heeft even geduurd. De rivier is hier nogal ondiep en onze stuurman maakte een verkeerde manoeuvre waardoor onze pinasse vastliep op een zandbank. De bemanning moest overboord - geen straf bij deze warmte - om met vereende kracht de boot weer vlot te duwen hetgeen na enige vergeefse pogingen lukte. Hijgend en druipend van het water rusten ze uit op de voorplecht. De motor wordt weer aangezet en spoedig klinkt weer het inmiddels vertrouwde geplok vanaf de achtersteven.

Eenmaal in het midden van de rivier vangen we weer een koel briesje. De ergste middaghitte is inmiddels ook wel voorbij. We drijven langs verschillende Bozo-dorpen met tijdelijke huizen van rieten matten. De oevers zijn hier hoog, flink afgekalfd door het in de natte en droge periodes stijgende en dalende water. Overal in de gele aarde zien we holen van dieren en in het struikgewas en de bomen heeft een bont gezelschap van vogels z'n nesten gebouwd.

De zon nadert de horizon en zet de rivier en het omringende landschap in een warm licht. De boot wordt afgemeerd. We bevinden ons op een verlaten stuk, ver voorbij het laatste dorp. De bemanning zakt tot de knieën in de modderige oever terwijl ze een ketting vormen om de bagage naar droge grond te transporteren. Na een kleine klauterpartij langs de steile oeverwand staan we boven op een klein, kaal plateau. Een prima kampeerplek, zo lijkt ons.

Al zijn er geen mensen in de buurt, stil is het niet. Terwijl de avond valt, neemt het koor van insecten in sterkte toe. Op de achtergrond horen we koeien klaaglijk loeien. Als ik een klein ommetje maak, kom ik ze tegen, grazend temidden van het struikgewas. De koepeltenten zijn snel opgezet en dichtgeritst, geen overbodige voorzorgsmaatregel met de veelheid aan muggen, vliegen en wat er nog meer door het luchtruim scheert. We hoeven alleen de binnentent op te zetten; bij deze temperaturen is een buitentent compleet overbodig. Terwijl wij druk zijn met de tenten bereidt de bemanning samen met gids Adama Karembé de avondmaaltijd.

Terwijl de zon achter de horizon verdwijnt, kleurt de hemel langzaam rood. De duisternis valt nu snel. Van minuut tot minuut wordt het donkerder en na niet meer dan een kwartier zitten we in het donker.

We eten spaghetti met saus. Ondanks de warmte heb ik flinke trek. Het is wel waar wat ze zeggen: warmte kost veel energie. Ik laat het me dan ook goed smaken.

Vanuit de duisternis komt plotsklaps een licht en gebrom van een motor. Wat blijkt? Het mooie vlakke stuk waar wij ons kamp hebben opgezet, is eigenlijk een weg ... Gelukkig is hier nauwelijks verkeer en zeker niet in de avond en nacht!

Na het eten krijgt Adama het woord. In Mali is het gewoonte dat in gezelschap verhalen worden verteld. Adama introduceert ons die traditie met graagte! Uitgebreid vertelt hij ons over de cousinage, een culturele verwantschap of schertsrelatie, tussen de Dogon, zijn eigen volk, en het vissersvolk, de Bozo. Hij illustreert z'n verhaal met grote arm- en handgebaren en verrassende stembuigingen. Aan het eind is hij helemaal schor en weten wij alles over de goede relaties tussen de twee volkeren.

Het is nog steeds 28 graden als Pieter en ik ons in onze tent installeren. We vragen ons af hoe we ooit in slaap komen bij deze temperatuur. Maar dat valt mee. Het voortdurende gezoem van de insecten - gelukkig voornamelijk buíten de tent - werkt slaapverwekkend en in de nanacht koelt het toch nog flink af. Rond een uur of drie word ik wakker van de kilte en trek dan toch maar m'n slaapzak over me heen.

Vijfde dag, woensdag 30 november 2005. Om zeven uur staan we op. De zon schijnt alweer aan een wolkenloze hemel. In de verte horen we de koeien hardverscheurend loeien. Ik begrijp van Pieter, die zelf melkvee houdt, dat dat komt doordat koeien en kalveren 's nachts gescheiden worden. "Man man, wat weet jij toch weinig!", voegt hij weinig complimenteus aan zijn antwoord toe. We horen dus de moeders om hun kinderen en de kinderen om hun moeders roepen. Logisch dat het zo tragisch klinkt.

Op dit vroege uur is het nog heerlijk fris. Prima weer om voor het ontbijt eens op zoek te gaan naar die kudde. Ik loop een heel eind langs de rivier in oostelijke richting. Na een kwartiertje wandelen houdt het struikgewas op en komt er een meer open vlakte met gras en bomen. Daar hebben de herders hun kamp opgeslagen, temidden van hun dieren. Ze knikken me vriendelijk toe maar zoeken geen contact. Zo te zien zijn ze druk aan het werk. Aan een touw ligt een jong kalfje. Afgaand op mijn beschrijving schat Pieter later dat het ongeveer veertien dagen oud is. Het wordt door een klein meisje gevoerd met een flesje melk.

Op de terugweg valt mijn oog op een wingerd met prachtige roze bloemen, bijna zo groot als een mensenhand. Het is eigenlijk voor het eerst dat ik zo'n uitbundige bloemenpracht zie in Mali. Door de langdurige periodes van droogte kennen grote delen van het land geen weelderige flora.

Na het ontbijt schepen we ons in en vervolgen onze tocht over de Bani. Het is werkelijk heerlijk op het water op dit vroege uur. Het is nog lekker fris. Er staat geen zuchtje wind. Het water is als een spiegel en reflecteert het zachte ochtendlicht. De rivier verbreedt zich geleidelijk. In grote bochten stroomt zij traag naar het oosten. Op sommige plaatsen lijkt de rivier wel een binnenzee, zo breed is zij daar. Aan de oever staan baobabs vol witte vlekken. Dichterbij gekomen zien we dat het vogels zijn, ooievaars en reigers, die zich van een mooie uitzichtplaats hebben verzekerd.

Af en toe ontmoeten we op het water visserslui. Vanuit hun kleine piroques slingeren ze hun netten in een grote boog het water in. Een enkele keer zijn wij getuige van het ophalen van het net. Te veraf om precies te kunnen zien wat er gevangen is maar aan de grijns op het gezicht van de visser kunnen we aflezen dat hij tevreden is over z'n vangst.

Gaandeweg de ochtend passeren we steeds meer dorpen. Prachtig gelegen in de bochten van de rivier of soms op een uitloper. In het laatste geval lijkt het wel of we een fata morgana aanschouwen. Het strakke blauw van de hemel wordt weerspiegeld in het rimpelloze wateroppervlak. Beide zijn slechts van elkaar gescheiden door een smal streepje geel met groen: oever, huizen, moskee, tegen een achtergrond van palmbomen. Het komt dicht bij het typische beeld dat wij hebben van de woestijn - zoals een Amerikaan bij Holland aan tulpen, molens en klompen denkt.

Langs de oevers van de rivier lopen paden van dorp naar dorp. We zien de mensen uit de dorpen vertrekken naar hun werk op de velden, gereedschappen en proviand op de rug. Soms zijn het hele optochten. We zwaaien elkaar vrolijk toe.

Vanaf het rieten dak van de pinasse geniet ik met volle teugen van de prachtige panorama's die traag aan ons voorbijglijden.

We leggen aan bij een dorpje. Sawalala. Het zijn namen - en dorpjes - die je op geen enkele kaart kunt terugvinden. Ik wandel er samen met Pieter rond. De rest van ons gezelschap blijft meestal bij elkaar. Zo trekken zij de meeste belangstelling naar zich toe en kan ik, alleen of zoals nu samen met Pieter, rustig en ongestoord rondkijken. Aan de rand van het dorp zien we kuddes vee over de vlakte trekken, te midden van grote stofwolken.

Pieter zoekt een plaatsje waar hij rustig kan plassen. Om een hoek zien we een veld met stenen waar het rustig is. Terwijl we er heen lopen, realiseer ik mij plotseling wat het is: een begraafplaats! Net op tijd kan ik Pieter voor grafschennis behoeden. Nu we het veld wat beter bekijken, valt op hoeveel nieuwe graven er zijn. Ziekte? Honger? Geen vrolijk gezicht.

Verderop komen we Adama en de rest van de groep tegen in een wolk van stof, veroorzaakt door de vele kinderen die opgewonden om hen heen rennen. We wandelen er maar even een stukje achteraan en komen zo op een erf terecht. Of Adama het zo heeft geregeld of niet - de familie is erg gastvrij en nodigt ons uit om rustig overal rond te kijken. Ook al sta je daar dan met een hele groep bleekgezichten, het is toch wel aardig om eens uitgebreid (of moet ik zeggen: ongegeneerd?) rond te mogen kijken op zo'n erf. In een hoek is een hooibergje opgeworpen. Een jong lammetje ligt er bovenop te slapen. Hij trekt zich niets aan van alle drukte. Rondom enkele kookvuren wordt hard gewerkt aan de bereiding van het middagmaal. Vrouwen koken een lekker ruikende soep, wassen en snijden groenten, malen graan. Op een plek in de zon hangt was te drogen. Tegen de muur zijn allerlei gereedschappen opgesteld. Ik zie bezems, potten en pannen, landbouwwerktuigen. De kinderen die om ons heen krioelen vinden het bezoek een feestje.

Pieter en ik vinden het veel te druk. We laten het erf achter ons en wandelen naar de kleine markt in het centrum van het dorp, enkele stalletjes met voedsel en kleding langs de weg. Langs de waterkant - waar ook het vuilnis wordt gestort - wandelen we terug naar de pinasse.

Voor de tweede keer zijn we getuige van een worstelpartij tussen mens en dier. Twee ezels moeten met een piroque naar de overkant. De dieren peinzen er niet over om vrijwillig in het wankele bootje te stappen. Er moet de nodige mankracht aan te pas komen om ze aan boord te krijgen. Een heel gedoe.

In een kalm tempo varen we verder. Er gaat een schaal met sappige rode watermeloen rond, een welkome traktatie want het begint al weer aardig warm te worden. Al snel zien we Mopti, ons doel voor vandaag, in de verte liggen. Dat wil zeggen: we zien de lichtmasten van het voetbalstadion van Mopti. Mali is een voetbal-gek land. Enige jaren terug is hier het Afrikaanse voetbalkampioenschap gehouden en ter gelegenheid daarvan zijn in verschillende grotere plaatsen enorme stadions gebouwd. Daar maakte Mali tijdens het kampioenschap goede sier mee, maar nu liggen ze ongebruikt in het landschap.

We maken nog één stop voordat we in Mopti aankomen. De naam van het plaatsje weet ik niet. Opvallend verschil met eerdere bezoekjes aan dorpen langs de rivier is dat de mensen hier wat 'gehaaider' zijn in de omgang met vreemdelingen. Dat zal wel komen door de nabijheid van Mopti, de tweede stad van het land. Dat wil overigens niet zeggen dat we hier minder vriendelijk tegemoet worden getreden. Men wil wel geld zien voor een foto, maar als je het vriendelijk vraagt en een praatje maakt, is het ook zonder een bijdrage al gauw goed.

Ook dit dorpje beschikt over zo'n prachtige moskee. Een vierkant gebouw met vele minaretten. Uit de muren steken om de halve meter stokken. Die dienen voor de stevigheid van het gebouw en, na de natte periode, als steiger voor de reparatie van de schade die de regens aan het lemen bouwwerk hebben aangericht.

Samen met Katrin wandel ik over een lange zandstraat omgeven met lemen muren naar de rand van het dorp. Er is water rondom het dorp. De rivier is hier erg breed en het land ligt laag. De samenvloeiing van Niger en Bani is niet ver van hier. Buiten het dorp liggen rijstvelden, zover het oog reikt. We zijn hier midden in de Nigerdelta, de rijst- en graanschuur van Mali.

Via een omweg door de vele straatjes en steegjes zoeken we onze weg terug naar de aanlegplaats van de boot. Daar heeft zich rondom de reisgenoten die niet verder het dorp zijn ingeweest, de gebruikelijke menigte kinderen gevormd. We klimmen weer aan boord voor het laatste stukje van onze bootreis. Er is een stevige wind opgestoken. Het rivierwater heeft witte kopjes gekregen en de pinasse schommelt flink. Af en toe komt er wat water over, lekker verkoelend in de middaghitte. Lees verder ...