Mali, 26 november-17 december 2005 - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

ReisMagazijn > Mali - Een ontdekkingsreis in het land van de Niger

De reis

Van Birma naar Mali (niet naar Bali) | Djenné | Boottocht over de Bani | Tussenstop in Mopti | De Tellem |
Naar Timboektoe | Timboektoe | Hombori | Mopti | Pays Dogon | Ségou | Naschrift | Meer over Mali

Eerste pagina van deze reis | De foto's
Djenné

Tweede dag, zondag 27 november 2005. Met de ventilator op volle kracht wordt het 's nachts zowaar nog koud. Maar zodra de zon opkomt, warmt het snel op. Om 7.00 uur zitten we aan het ontbijt. De temperatuur buiten is dan heerlijk, tussen de 20 en 25 graden Celcius. Het ontbijt, aan een lange tafel in de eetzaal, bestaat uit stokbrood met jam, thee en koffie. De Franse koloniale tijd heeft zijn sporen nagelaten - in ieder geval bij de ochtendmaaltijd. We ontmoeten een stel dat in Zwitserland woont en al langer in Mali is voor een eigen ontwikkelingsproject. Ze sluiten zich hier in Bamako bij onze reis aan.

Bagage op het dak, wij in de bus. We maken ons op voor een lange en warme rit naar Djenné waar we, als alles goed gaat, tegen het vallen van de avond zullen aankomen.

Na het verlaten van Bamako met z'n ondergestofte huizen en straten rijden we over een lange asfaltweg door een eindeloze vlakte. In eerste instantie lijkt het alsof we door een wildernis rijden. Maar na een tijdje begin ik het patroon van dorre akkers, struikgewas en verspreid staande bomen te herkennen. Het land is wel degelijk in cultuur gebracht. Maar armoede en droogte geven het landbouwgebied een heel andere aanblik dan ónze akkers en weiden.

Boeren zijn bezig de katoenoogst binnen te halen. Overal zien we de witte plukken aan de struiken hangen. Op dorre akkers groeien kalebassen - niet om te eten, vertelt Georgette, maar voor de bast waar schalen van worden gemaakt. Er groeien hier veel baobabs, een inheemse boomsoort in de Sahel.

De Afrikaanse baobab of apenbroodboom is een in droge tijden bladverliezende, tot twintig meter hoge boom met een dikke stam en een wijd uitstaande kroon. De boom heeft schaarse, vaak langs de stam aflopende hoofdtakken. De succulente, relatief korte stam kan negen meter dik worden. De bomen zijn door wateropslag droogtebestendig. De bomen kunnen meer dan duizend jaar oud worden. De bladeren zijn handvormig. De grote, opvallende, alleenstaande bloemen hangen aan lange stelen. De bloemen hebben een twintig cm lange bloemkelk. Ze geven ‘s nachts een onaangename geur af en worden dan bestoven door vleermuizen.

De tot 35 cm grote vruchten hebben een één cm dikke, houtig-vezelige schil die rijp bruin wordt en dicht bedekt is met geelbruine, ruwe haren. De vruchtholte bevat een slijmerige, zurige pulp. De vrucht bevat vele boonvormige zaden. De vruchten worden in Afrika vers gegeten of eerst gedroogd en later in water of melk geweekt. De zaden worden gesuikerd en als lekkernij gegeten; ze smaken naar amandel. De bladeren, jonge scheuten en wortels kunnen als groente worden gegeten.

De vruchtschillen vormen een goede brandstof. Vermalen vruchtschil wordt als tabak gebruikt. Uit de as kan zeep worden gemaakt. Uit de bast kunnen vezels worden gewonnen. Deze kunnen worden gebruikt voor touwen, manden en textiel. De schors bevat ook tannine, dat als looistof kan worden gebruikt. Bijna alle onderdelen van de boom worden dus door de mens gebruikt. Het is dan niet zonder reden dat de baobab lokaal vereerd en soms zelfs als een heilige boom wordt gezien.

Met enige regelmaat passeren we slaperige dorpjes met, toepasselijk, bij begin en eind van de bebouwing een gendarme couchée op de weg. Regelmatig worden we tot stoppen gedwongen bij de ontelbare politieposten langs de weg. Worden we nu zo streng in de gaten gehouden? Al spoedig wordt duidelijk dat het gewoon om geld gaat. Controles zijn een mooie gelegenheid voor de politie om wat bij te verdienen. Bij iedere stop moet de chauffeur de portemonnee trekken. Naarmate de reis vordert, wisselen zo heel wat bankbiljetten op meer of minder tersluikse manier van eigenaar.

In sommige dorpen is het marktdag. Ik kijk m'n ogen uit naar het drukke en kleurrijke gewoel. De ochtend is nog niet half voorbij en ik had al wel tien maal uit willen stappen om het allemaal van dichtbij te bekijken. "Die kans krijg je nog meer dan genoeg", belooft Georgette. "We zullen nog heel wat markten bezoeken in de komende weken".

De asfaltweg - eigenlijk de enige geasfalteerde doorgaande weg in het land - is in redelijke staat. Af en toe is het wat hobbelen vanwege de pot holes. En op sommige stukken zijn de randen van de weg 'gebladderd' en rijden we bij het passeren van tegenliggers door rood stofzand. Vaak gebeurt dat trouwens niet want er is nauwelijks verkeer, zelfs niet als je de herders met hun geiten en schapen meetelt die liever van de weg gebruik maken dan zich moeizaam een weg te banen door het struikgewas.

We passeren Ségou. Of beter gezegd: we passeren een splitsing in de weg die naar de legendarische stad leidt. Ségou zelf bewaren we voor op de terugreis. Zoals gezegd, Mali heeft maar één grote doorgaande weg, dus we zullen hier aan het eind van onze reis in tegenovergestelde richting opnieuw langsrijden.

Naarmate het middaguur dichterbij komt, wordt het warmer in de bus. Warmer zelfs dan buiten, merken we bij de regelmatige plas- en drinkstops. De picknick in de schaduw van een grote baobab-boom in een veldje met kalebassen komt dan ook als een verademing. Schaduw en frisse lucht. Ik ben daar nog meer aan toe dan aan eten.

Na de maaltijd vervolgen we de reis. De hitte van de middag valt me niet mee. Ik transpireer aan alle kanten. Pas tegen vieren neemt de middaghitte wat af. We zijn dan in een wat grotere plaats, San, waar we tanken. Het is nu nog 100 kilometer rijden naar Djenné. Dat lijkt niet veel, maar noch de staat van onze bus noch de staat van het wegdek staan hoge snelheden toe.

Langs mooie en pittoreske boerendorpen rijden we de Nigerdelta binnen, waar niet alleen de rivier maar ook het dorpsleven slechts langzaam voortkabbelt. We zien vrouwen dorsen op de velden, prachtige lemen graanschuren worden gevuld en waterputten geleegd. Jammer dat we ook hier niet kunnen stoppen. Maar we moeten op tijd bij de rivieroversteek zijn. En werelderfgoed Djenné lokt natuurlijk ook. Hoeveel ik ook heb gelezen over deze lemen stad met zijn imposante moskee en hoeveel plaatjes ik er de afgelopen tijd ook van heb gezien, een goede voorstelling maken van de stad lukt me niet echt. Maar dat hoeft nu ook niet meer - over enkele uren kan ik Djenné met eigen ogen aanschouwen.

Djenné ligt aan de rivier, grotendeels omgeven door water. Met een felblauwe pont varen over een brede rivierarm naar de overzijde. Aanlegplaatsen zijn er niet. De pont schuift gewoon zo ver mogelijk de zandige oevers op. Omstuwd door verkopers van eten en snuisterijen maken we de oversteek. Aan de overkant is aanleggen nog meer een probleem. Door een piroque, een lange kano, als brug te gebruiken, komen we met droge voeten op de andere oever.

De bus ploegt door het ondiepe water naar de wal en wij stappen weer in. Het is nog maar een kort stukje over een zandweg naar Djenné. Terwijl de schemering valt, rijden we de stad in. Ik had me voorgesteld dat het oude centrum, door UNESCO aangemerkt als werelderfgoed, wel afgesloten zou zijn voor alle verkeer. Maar nee - door smalle straten rijden we zo het grote marktplein op voor een onverwachte eerste kennismaking met waarschijnlijk de meeste bekende en beroemde lemen moskee ter wereld. Een stuk voorbij de markt draait de bus een binnenplaats op. Vroeger behoorden de gebouwen binnen deze muren tot een oud fort. Nu is ons hotel, of zoals dat hier heet, ons campement, er gevestigd. Pieter en ik heb een rustige en koele kamer op de benedenverdieping van een rechthoekig gebouw van drie verdiepingen.

Vanaf een kleine binnenplaats kijk ik omhoog naar de balustraden waarlangs de kamers zich bevinden. Na een snelle douche nemen we een kijkje op het dak. Dit is één van de hotels in Mali waar je, als je dat wilt, ook buiten op het dak zou kunnen slapen. Het platte dak is met een laagje zand bedekt, zodat je betrekkelijk zacht ligt. Her en der zijn palen opgericht, waaraan je je klamboe kunt bevestigen. Een enkele paal is al in beslag genomen door hotelgasten, maar het grootste deel van het dak is leeg. We lopen langs de lemen kantelen en kijken neer op de oude stad.

Vanaf het dak hebben we een mooi doorkijkje door de brede straat waaraan een stuk verderop het marktplein ligt. De minaretten van de moskee steken boven de lemen huizenzee uit. Wat van bovenaf vooral opvalt is de kleur - behalve het bruin van leem zijn er eigenlijk geen andere kleuren zichtbaar, of het moet het bestofte groen van een bladerkroon van één van de spaarzame bomen in de stad zijn. Een andere zaak die onmiddellijk opvalt, zijn de ronde vormen, inherent aan een architectuur die als bouwstof voornamelijk leem gebruikt.

Al spoedig is het te donker om nog veel te kunnen zien. De zonsondergang gaat hier heel wat sneller dan in Nederland. In het buitenrestaurant zetten we ons aan de maaltijd met kip, rijst en groenten en fruit. Luxe, naar Malinese begrippen. In delen van het land heerst voedselgebrek. De regering en verschillende buitenlandse organisaties hebben hulpprojecten opgezet. Ons 'rijke' toeristen zal het echter de gehele reis aan niets ontbreken.

Na het eten raak ik in gesprek met onze reisbegeleidster Georgette. Ze heeft een boeiend bestaan waarbij ze haar ambitie om veel van Afrika te zien helemaal heeft kunnen verwezenlijken. Na jarenlang uit Nederland weg te zijn geweest, speelt ze met de gedachte te remigreren, iets wat best veel voeten in de aarde heeft nu in ons land in het laatste decennium zo veel is veranderd. Het is niet alleen voller, drukker, rijker, maar ook op het gebied van regels is er van allerlei veranderd, zodanig dat Georgette eigenlijk zal terugkeren naar een 'nieuw' land. Het lijkt me een bijzondere ervaring.

Tegen tienen wandel ik naar de kamer, waar ik na een korte wasbeurt als een blok in slaap val.

Derde dag, maandag 28 november 2005. Vroeg en uitgerust uit de veren. Voor zevenen sta ik op het dak en kijk naar het ontwaken van de stad.

Nog voor het ontbijt maak ik een wandelingetje naar het marktplein. Het is niet zo dat de markt alleen op het plein voor de grote moskee wordt gehouden. Het gebied is veel groter. Al direct na het verlaten van het hotel kom ik op het marktterrein. Het is er al een drukte van belang. Overal worden kramen ingericht, kleden neergelegd, koopwaar uitgestald. Direct in het oog springen de enorme groene watermeloenen, waarvan er honderden op een grote hoop liggen. Vragen om foto's te mogen maken worden afgewimpeld. Men heeft het nu veel te druk voor alleen maar in de weg lopende toeristen. Het is hard werken, zo'n markt. Ondanks het vroege uur staat bij velen het zweet al op het voorhoofd.

Om acht uur wandelen we met een klein groepje onder leiding van een gids door Djenné. Georgette heeft dat gisteren voor ons geregeld. Op ons gemak wandelen we door de straten en stegen. Ik kom ogen en oren tekort om de omgeving en alles wat daarin gebeurt goed in mij op te nemen. Het zijn niet alleen de mensen, de bijzondere architectuur en het straatgebeuren, met een weverij en vuurtjes waarboven in grote ketels 'oliebollen' worden gebakken. Het is ook goed oppassen waar je loopt. In het streven de stad zoveel mogelijk in oude staat te houden, zijn ook de open riolen geconserveerd. Zeer tegen de zin van de lokale bevolking, die graag een hygiënischer oplossing had gezien. Hier en daar stroomt het rioolwater door smalle goten, op andere plekken zoekt het afvalwater zelf een weg over de stoffige ongeplaveide straten. Met sandalen aan is het dan even opletten waar je gaat en staat.

De straatjes van Djenné zijn smal, zodat het op straat opmerkelijk koel blijft en je rustig rond kunt slenteren. Op knooppunten van stegen en aan pleinen zien we een flink aantal huizen met vaak mooi bewerkte gevels, versierde houten deuren en een enkel raam. Je krijgt hier echt het gevoel terug te stappen in de middeleeuwen. Dat is ook niet zo gek: de stad dateert uit de derde eeuw voor Christus en behoort daarmee tot de oudste steden van Afrika. De stad maakt een gesloten indruk. Dat komt vooral door de afscherming van binnenplaatsen door hoge lemen muren. Slechts hier en daar kunnen we door een poortje een glimp opvangen van het huiselijke leven van de Djennéërs. De bruingele huizen hebben zoals gezegd nauwelijks ramen en als ze er al zijn, zijn ze zonder uitzondering voorzien van luiken.

Djenné was lange tijd het belangrijkste centrum van de Islam in West-Afrika. Nog steeds zijn er hier een groot aantal Koranscholen. Op onze wandeling passeren we er enkele. Langs de straat zitten kinderen met hun plankjes met Koranteksten. Ze lezen de teksten, schrijven ze over, leren ze uit het hoofd. Hoe ingespannen ze ook bezig lijken, als ze ons in de gaten krijgen, is de concentratie weg en wordt alle aandacht gericht op die merkwaardige witte vreemdelingen.

Tijdens onze omzwervingen met gids Oumar raak ik mijn toch al geringe gevoel voor richting geheel kwijt. Ik kijk dan ook verbaasd op als we na weer een smal steegje opeens voor de grote moskee staan. Door velen wordt de moskee van Djenné beschouwd als het mooiste wat de Soedanese leemarchitectuur heeft voortgebracht. De huidige moskee is gebouwd in 1907 en domineert het er naast gelegen marktplein. Het gebouw ligt op een drie meter hoog plateau van 75 bij 75 meter, waardoor haar verhevenheid als heiligdom extra wordt benadrukt. Een woud van negentig zware kolommen vormt negen arcade-achtige constructies die een dak dragen dat gemaakt is van palmhout. De elite van de stad betreedt de moskee via de monumentale ingang aan de noordkant. De arme bewoners moeten via een eenvoudiger deur naar binnen.

Op het grote plein voor de moskee is de markt inmiddels in volle gang. De grootschaligheid, de drukte, de geuren en geluiden, de veelsoortigheid van goederen en eetwaren en de schitterende gewaden van de vrouwen maken de markt tot één van de meest kleurrijke spektakels die ik ooit heb gezien. Prachtig! Oumar leidt ons naar een verhoging, van waar we het schouwspel op ons gemak kunnen gadeslaan.

We vervolgen onze verkenningstocht door de stad, naar een werkplaats waar bogolans worden vervaardigd. In de werkplaats ben ik snel uitgekeken, omdat ik niet van plan ben zo'n geverfde doek aan te schaffen. Het bezoek geeft echter wel een aardige indruk hoe een Malinees huis er van binnen uitziet.

Aan het eind van de ochtend brengt Oumar ons terug naar het hotel, vanwaar ik onmiddellijk weer op pad ga. Er is hier zo veel moois en interessants te zien! Allereerst wandel ik om het hotel heen naar de strekdam in de Bani rivier. De strekdam is één van de toegangen tot de stad. Vanaf een muurtje kijk ik uit over het water en de overzijde van de rivier. Onder een dunne deken van stof en warmte ligt een vlakte van okerkleurige, verkruimelde aarde, spaarzaam begroeid met wat acacia's en armetierig gras. Alleen langs de oevers van de rivier is het wat groener. Daar, dicht bij het water, zijn kleine tuintjes gemaakt van ongeveer een meter bij een meter, omgeven door lage aarden wallen, om het water vast te houden. Ik zie kalebassen en vooral uien. Her en der worden tuintjes geschoffeld en over een breed pad lopen mensen heen en weer naar de rivier met kalebassen, die gebruikt worden om de planten water te geven. Boven de weg hangen grote grijsgele stofwolken, veroorzaakt door de drukke marktgang. Een onafzienbare stoet van mensen en voertuigen is op weg naar de markt. Het is de mensen op de passerende ossekarren aan te zien dat ze al een lange reis achter de rug hebben. Wie weet hoe ver hun dorpen van Djenné verwijderd liggen.

De ossekar is niet het enige vervoermiddel. Ik zie hoog beladen ezelwagens, handkarren, fietsers en brommers en veel vrouwen met emmers en schalen op hun hoofden. Ongelooflijk knap hoe ze die vaak zware last in balans weten te houden. Ondanks het stof en de drukte heerst er een vrolijke sfeer. Vooral de vrouwen hebben zich vaak prachtig uitgedost in elegante, kleurrijke gewaden. Een schitterend gezicht. De markt is ook een belangrijke ontmoetingsgelegenheid, dat zie je duidelijk aan de zorg die de mensen aan hun uiterlijk besteden. En dan is er natuurlijk de hoop op een gunstige verkoop van de producten, die op veel gezichten een verwachtingsvolle lach tovert.

Het is af en toe flink dringen op de toch al niet zo brede dam. Vooral als van de stadszijde nog eens een kudde geiten komt, die zich niets gelegen laat liggen aan het geroep en getoeter van de tegenliggers. Na een tijdje neemt de stroom marktgangers wat af. Een goed moment om met ze mee te lopen, de stad in, naar de maandagsmarkt. De markt van Djenné is één van de grootste en kleurrijkste van West-Afrika. Niet alleen in het verleden maar ook nu nog is het een belangrijk handelscentrum waar honderden marktkramers hun waren te koop aanbieden. De aanblik van de zee van kramen, de mensenmenigte, het stof, het rumoer, de kleuren en geuren is overweldigend.

Vanochtend sloegen we de markt met Oumar vanaf een dak gade; nu sta ik er midden in. Het eerste kwartier weet ik gewoon niet waar ik moet kijken. De indrukken tuimelen over elkaar heen. Wat een drukte, wat een kleuren. Er wordt hard gewerkt, handel is een ernstige zaak. Bij veel mensen staat het zweet op het voorhoofd. Vrouwen in prachtige gewaden haasten zich van kraam naar kraam, babies stijf ingepakt op de rug, manden met koopwaren of aankopen op het hoofd. Dat je niets ziet vallen, is een wonder. Naast de veelheid van producten is er ook een veelheid aan bevolkingsgroepen: ik zie de Peul met hun melkprodukten, de Dogon met hun uien en tomaten, en het riviervolk de Bozo met hun vis.

De markt is ook een historische plek en lange tijd een belangrijk handelscentrum voor de trans-Saharahandel. Op de markt van Djenné werden kolanoten, goud, ivoor en slaven uit het zuiden verhandeld tegen zout, boeken, sieraden, koper en textiel uit het noorden. Met de komst van de Europeanen aan de kust verloor de trans-Saharahandel snel aan betekenis. De handel in Djenné kreeg toen een meer regionaal karakter. Toen de Fransen in het begin van de twintigste eeuw de veel gemakkelijker te bereiken stad Mopti stichtten, betekende dat het definitieve einde voor Djenné als handelsknooppunt. De wekelijkse markt bleef echter belangrijk voor de regio en de drukte waar ik nu midden insta, is daarvoor het beste bewijs.

Samen met Katrin en Edward slenter ik langs de kramen. Fotograferen wordt niet echt op prijs gesteld; de mensen zijn druk aan het werk, het is warm, ze willen niet gestoord worden door toeristen. Die zijn er overigens niet veel. Dat maakt dat we ons in dit exotische decor af en toe als op de set van een ouderwetse avonturenfilm wanen. Vanaf een rustig hoekje kunnen we ongestoord en niet storend toch nog wel onze plaatjes schieten. Een koopman ziet het aan en vraagt me verbaasd waarom ik zijn kraam fotografeer. Hij verkoopt zalf en babyproducten en ziet het mooie niet in van zijn kleurrijke verzameling pakjes en potjes. Hoe leg je dat nu uit?! Waar hij handelswaar ziet, zie ik kleur en compositie. "Pourquoi?" Het is een onoverbrugbaar verschil in perceptie ...

Na enkele uren laten we de drukte van de markt achter ons. We wandelen naar Chez Baba, een van de weinige restaurants in Djenné. Ondanks de warmte wordt aangeraden goed te eten. Warmte vreet immers energie.

Weer terug op de markt worden we door een jongetje aangeklampt. "Willen jullie de moskee niet bezoeken? Bij wijze van uitzondering mag je er vandaag in van de iman!" Ongelovig volgen we hem naar de verhoging voor het enorme lemen bouwwerk. Daar lopen we toevallig Oumar tegen het lijf, onze gids van vanochtend. Hij valt boos uit naar de jongen, die zich snel uit de voeten maakt. "De moskee is helemaal niet open voor ongelovigen", vertelt hij. "Het was de pickpocket om jullie schoenen te doen. Terwijl jullie op je sokken naar de ingang zouden lopen, zou hij er vandoor gaan met jullie dure bergschoenen." Het verbaast me niets, ik vond het al een raar verhaal dat de jongen ons opdiste.

Vroeger was het wel mogelijk om de moskee te bezichtigen. Dat dat nu niet meer kan, hebben wij westerlingen aan onszelf te wijten. Op een keer hielden Franse modefotografen een fotoshoot in de moskee, onaangekondigd en ongevraagd. Daarover ontstond, en niet onbegrijpelijk, grote woede bij de inwoners van Djenné. Sinds die keer is geen westerling meer in de moskee toegelaten.

Aan het eind van de middag neemt de drukte op de markt af. Veel waren zijn verkocht en de kooplui die al 'los' zijn, maken aanstalten om te vertrekken. Samen met Katrin en Edward wandelen we met een omweg langs een straatje waar men takkenbossen verkoopt - brandstof voor oven en kookvuur - en achter de moskee langs door smalle straatjes naar de dam door de Bani rivier.

Het schouwspel van vanochtend voltrekt zich nu in omgekeerde volgorde. Een lange rij wagens, leeg of hoog opgetast met geruilde of gekochte waren, verlaat de stad over de smalle dam. Ik loop met ze mee, over de dam, naar de stoffige vlakte aan de andere kant van de river. Daar houden de meesten even halt. Ze controleren of alles wel stevig vastzit op de kar en wachten op reisgenoten. Ik zie dorpsgenoten op elkaar wachten om gezamenlijk huiswaarts te gaan. Tussen alles door lopen kuddes geiten en op de veldjes langs de rivier gaat het bewateren met kalebassen onveranderlijk door. De meeste mensen hebben goede zaken gedaan, te beoordelen aan de lege karren en de vaak vermoeide maar wel opgewekte gezichten. Sommigen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om ook zelf inkopen te doen. Of ze hebben spullen geruild, dat kan natuurlijk ook.

Als de grote drukte voorbij is, wandel ik terug naar het hotel. In Djenné herneemt het gewone leven zich. De stad transformeert van marktstad tot brommerstad, zoals één van de reisgenoten opmerkt. En inderdaad, nu de ossekarren en bestelbusjes uit het stadsbeeld zijn verdwenen, hoor je overal het geknetter van de brommertjes, waarop de stadsbewoners-die-het-kunnen-betalen zich verplaatsen.

De avond breng ik door in het hotel. We eten weer op de overdekte binnenplaats. Onder het reusachtige rieten dak met ventilatoren is het goed vertoeven. Ik heb een interessant gesprek met Katrin, die afkomstig is uit Leipzig; een echte Ossie dus! Zij heeft de transformatie van Oostblokland naar westerse democratie van dichtbij meegemaakt en het is boeiend haar er over te horen vertellen.

Ondanks het late uur is het nog steeds warm. Maar in onze kamer, met de ventilator op volle toeren, is het goed uit te houden. Het duurt niet lang of ik ben in diepe slaap.

Vierde dag, dinsdag 29 november 2005. Ik sta vroeg op, om half zeven. De zon is dan al lang en breed op. Ik maak een wandeling over het marktterrein, nu een grotendeels verlaten zandvlakte. in het zand zit een oudere vrouw. Ze schept zand in een ronde zeef en schudt die heen en weer. Eerst heb ik niet door wat ze aan het doen is maar even later begint het me te dagen. Ze is op zoek naar eten. Naar de graan- en rijstkorrels die door de markthandelaars gemorst zijn. Naast haar ligt al een klein hoopje voedsel. Na alle exotische pracht van gisteren zou je bijna vergeten dat Mali één van de armste landen van de wereld is. Ik word er nu op een treurig makende manier weer aan herinnerd.

Op het grote plein blakert de lemen moskee in de zon. Alleen bij de winkeltjes aan de schaduwzijde van het plein zie ik nog mensen. En natuurlijk in de hoek waar de bussen en taxi's stoppen. Daar is het altijd druk. Op een bord zie ik de reisschema's. En die zijn niet gering. De markt van Djenné is niet alleen een stopplaats voor lokale bussen, maar ook voor reizigers die vanuit Mauretanië, Senegal en Ivoorkust naar Mali reizen. Het lijkt een grote warboel, maar de zonder uitzondering bepakte en bezakte buspassagiers weten precies waar en in welke bus ze moeten stappen.

Van het busstation is het maar een klein stukje naar de rivier. Dit is een stukje waar we met de gids niet geweest zijn en ik snap al gauw waarom. Aan de andere kant van de door water omgeven stad is de rivier omzoomd met keurige akkertjes, maar hier ziet het er heel anders uit. Langs de oevers ligt een enorme hoeveelheid afval. Uitwerpselen, oude plastic zakken, huishoudelijke troep. Het is er een vieze bende en het duurt niet lang voordat ik mijn schreden terugkeer naar het marktplein.

Op mijn gemak wandel ik nog even naar die andere, mooiere, kant van de stad. Daar wordt al druk gewerkt op de akkertjes. Jonge mannen wieden, meisjes lopen af en aan met met water gevulde kalebassen om de gewassen van het zo noodzakelijke vocht te voorzien. Een enkele ossekar komt aanrijden, vaak beladen met gras. Het ligt hoog opgetast op een enorme stapel in de wagen. Als hooibergen op wielen rijden ze de stad binnen. Lees verder ...