Kaap Verdie, 25 maart-15 april 2004 - In het scheepsarcheologisch museum in Praia

ReisMagazijn > Kaap Verdië

De reis

Vooraf | De reis | 1 - In Ribeira Brava | 2 - Wandelingen op São Nicolau | 3 - In Mindelo |
4 - Naar Santo Antão | 5 - Wandelingen op Santo Antão | 6 - Wandelingen op São Vicente |
7 - In Praia en Tarrafal | 8 - Wandelingen op Santiago | 9 - De vulkaan van Fogo |
10 - In São Filipe | Terugreis | Naschrift

Eerste pagina van deze reis | De foto's
7 - In Praia en Tarrafal

Dag 14, woensdag 7 april 2004. Een rustige ochtend en middag. We maken een laatste wandeling door Mindelo, herpakken de bagage, schrijven ansichtkaarten voor familie en vrienden.

Om zes uur vliegen we naar Santiago. Geheel in stijl met de rest van de dag is het een rustige vlucht, die precies op tijd vertrekt. In Praia, de hoofdstad van het eiland Santiago, moeten we even wachten op ons vervoer naar het hotel. Even gaat het mis, als de verkeerd geïnstrueerde chauffeur ons naar het verkeerde hotel brengt. Maar het misverstand wordt snel rechtgezet, en spoedig zitten we opnieuw in de auto, nu op weg naar het goede adres. Dat blijkt een veel beter hotel dat ook nog eens mooi in het centrum ligt.

We krijgen een mooie kamer, zonder raam weliswaar, maar - minstens net zo belangrijk - met airco. We zoeken en vinden een goed restaurant, Flor de Liz, waar we - het is inmiddels al laat in de avond - een lekker visje verorberen.

Dag 15, donderdag 8 april 2004. We staan vroeg op. Het is een mooie dag. We genieten van een lekker ontbijtje en een zingende kokkin. Daarna gaan we Praia verkennen. Een grote drukke stad, waarvan het centrum op een hoge rots ligt, ook wel het plateau genoemd. Op straat voor het hotel is het druk. Ezelkarren, fietsers, kleine vrachtwagentjes en personenauto's rijden af en aan zonder veel acht te slaan op verkeersregels. Op de smalle trottoirs een grote stroom voetgangers. Veel boodschappentassen en kinderen met ballonnen. We wandelen een eind door de straat, slaan een hoek om en staan plotsklaps op een mooie overdekte groentenmarkt. Het doet heel Afrikaans aan. De stalletjes met hoog opgetaste stapels fruit, de vrouwen met manden en tassen op het hoofd, het lawaai van het loven en bieden en het gekrakeel waar de prijs niet naar de zin van koopster of verkoopster is. Het valt me ook meteen op dat de mensen hier donkerder zijn dan op de bovenwindse eilanden van Kaap Verdië. Het is een markt waar vrouwen de dienst uitmaken en het werk doen. In het drukke gewoel zie ik nauwelijks mannen. De markt biedt een fotogeniek tafereel maar helaas is fotograferen erg lastig. Mensen willen niet graag op de foto en het is eigenlijk ook te druk en te vol om rustig een mooie plaatje te schieten.

Het is bijzonder om te zien hoe de marktvrouwen tussen alles door laveren met hun lasten op het hoofd. De koopsters met tassen en manden, de verkoopsters met alles wat je maar op je hoofd kunt dragen. Ik zie kalkoenen, bananen, maïs, vis, limonadeflessen, slippers, te veel om op te noemen. En het blijft nog allemaal zitten ook!

Na een uitgebreid bezoek aan de markt wandelen we verder. Het stadshart wordt gevormd door een groot plein met mooie oude gebouwen. Marjan las in de gids over een scheepsarcheologisch museum. Het stukje trok zodanig haar aandacht, dat ze er beslist heen wil. Alleen: in de gids stond geen adres. Marjan heeft zich in het hotel laten uitleggen waar het museum gehuisvest is - maar we kunnen de genoemde trap omlaag, het plateau af, niet vinden.

"Neem een taxi", zegt een meisje op straat dat overigens nog nooit van het museum heeft gehoord, tegen ons. Een goed idee. We houden een taxi aan, geven onze bestemming op. De chauffeur knikt en start de motor. Eindelijk op weg naar het museum!

Twee minuten later - we hebben het plateau verlaten en rijden een 'verdieping' lager rond - rijdt de cauffeur zijn wagen naar de kant van de weg. Een lekke band? Doet de motor het niet meer?! Nee - we zijn er al! In tegenstelling tot in Nederland, waar zulke korte ritjes meestal geweigerd worden, zijn we hier gewaardeerde klanten. 100 escudo's armer stappen we uit. Het plateau, van waar we zojuist vertrokken, rijst hoog voor ons op. We zien nu ook de trappen die we eerder zochten. Handig voor de terugweg, straks. Voor ons ligt een uitgestrekt industrieterrein.

De chauffeur weet niet precies waar het museum ligt, maar het moet ergens in dit gebied zijn, wijst hij met grote gebaren. We gaan op zoek. Op het industrieterrein dat verderop aansluit bij de haven zijn, verrassend, ook belangrijke nationale informatie-instellingen gevestigd. Bij het Nationaal Archief stappen we naar binnen - hier zullen ze vast wel weten waar het museum ligt. Even lijkt dat ook zo, maar de aanwijzingen die we er krijgen, brengen ons alleen maar naar dichte deuren en blinde muren. Laten we de Biblioteca Nazionale eens proberen. Maar helaas, die is dicht. Aan de overkant van een brede verkeersweg is in een groot modern gebouw een telecombedrijf gevestigd. Daar wijzen ze ons de juiste weg.

'Museum' is eigenlijk een te groot woord voor de werkplaats annex opbergruimte van het scheepsarcheologisch centrum. Er is slechts één persoon, de restaurator, in het gebouw aanwezig. Vriendelijk heet hij ons welkom. Hij vindt het leuk dat buitenlanders over zijn centrum hebben gelezen en het willen bezoeken - dat gebeurt niet vaak, laat hij weten. Hij geeft ons een uitgebreide rondleiding door de restauratieruimte. Veel materiaal moet direct worden gerestaureerd omdat het anders vergaat, of worden gefixeerd in kuipen zeewater. Hij heeft maar één collega, dus er is een grote werkvoorraad. De ruimte staat vol met tobbes, kuipen en emmers waarin meestal onherkenbare objecten liggen. Jarenlange en soms eeuwenlange algengroei en corrosie maakt voorwerpen praktisch onherkenbaar. De voorwerpen zien eruit als grillig gevormde steenklompen. Hij laat ons een paar keer raden om wat voor objecten het gaat, maar zelfs een eenvoudige drinkbeker is na een eeuw onder water zo vervormd dat we het niet meer herkennen.

In een naastgelegen opslagruimte laat hij de reeds gerestaureerde objecten zien. Ze liggen in lange houten stellages uitgestald, met kaartjes erbij van welk schip en uit welke tijd ze afkomstig zijn. We zien enkele staaltjes van verbluffend restauratiewerk. Glaswerk dat ontdaan van aanslag er als bijna nieuw uitziet, een fles cognac van 350 jaar oud - "Nog goed te drinken", zo verzekert de restaurator ons. We slaan zijn aanbod om te proeven af, maar moeten toegeven dat de fles, ontdaan van zijn kurk, inderdaad nog naar cognac ruikt.

De stellage is een ware schatkamer, met kanonnen en kogels, geweren en pistolen, sierlijk glaswerk, wijn- en cognacflessen, en alle gebruiksvoorwerpen die aan boord van schepen voorhanden waren als pijpen, bestek, olielampen,hamers, beitels, bronzen spijkers en zelfs een pispot. Ook zijn een groot aantal snuisterijen opgedoken: we zien kruisjes, soms met edelstenen ingelegd, snuifdozen, kettingen en horloges. Een plank is ingeruimd met inktpotten en parfumflesjes. Onze gastheer laat ons aan een flesje kamfer ruiken - eeuwenoud, maar de lucht is nog duidelijk aanwezig.

De voorwerpen zijn afkomstig van verschillende schepen. De namen staan op kleine bordjes in de stellage. De Dromedaire, vergaan in 1762; de Leijmuiden, die in 1774 schipbreuk leed. De wateren rond de Kaap Verdische Eilanden zijn een waar scheepskerkhof, waar in de loop van de tijd honderden vaartuigen zijn vergaan. Omdat de schipbreuk vaak op dezelfde locaties plaatsvonden, is het voor de huidige onderwaterarcheologen soms heel moeilijk om te onderscheiden welke vondst van welk schip afkomstig is.

Tot slot van de rondleiding opent de restaurator de grote antieke brandkast in de hoek van de werkruimte. Daarin bevinden zich de werkelijk waardevolle vondsten. Pièce de resistance zijn een met emerald en diamanten versierd gouden kruis en een astrolabium - "Een van de oudste die nog op de wereld bestaan", zo vertelt onze gastheer. Na het sluiten van de brandkast begeleidt hij ons naar de uitgang. We nemen hartelijk afscheid en danken hem voor de uitgebreide rondleiding. Daarmee eindigt ons bezoekje aan het 'museum'; een boeiende kijk in de keuken van de scheepsarcheologie.

We wandelen terug naar de binnenstad via de trappen, die we onze aankomst op het industrieterrein al zagen. We slenteren nog enkele uren door de straten en over marktjes, zitten op een terrasje. Daarna keren we terug naar het hotel en wachten op de taxi die ons naar onze volgende bestemming zal brengen: Tarrafal, een kleine kustplaats met palmenstranden in het noorden van het eiland.

Het is anderhalf uur rijden over een lange kustweg door een nogal dor en bergachtig landschap. Alleen halverwege de rit is er een 'groen moment', als we een enorme plantage - eigenlijk een oase - passeren met palmen, bananen en papaya's. De kustweg is in goede staat. Afwisselend asfalt en de inmiddels bekende zwarte basaltstenen.

Tarrafal, in de reisgids omschreven als een kleine kustplaats, is groter dan gedacht en heeft een centrum met een mooie kerk en een uitgestrekt plein met palmen en plantsoenen. Ons hotel Solmarina ligt aan de rand van de stad, vlak aan zee. Bijna op het strand gebouwd, kun je zeggen. Het is een klein blauw-wit geschilderd appartementencomplex. Vanaf het balkon van onze kamer (7) kijken we uit op een haventje voor de visserschepen. Haven is eigenlijk een groot woord. Er is een havenhoofd met daarachter een kleine baai met zandstrand. De meeste vissersboten - niet veel groter dan een roeiboot - meren niet af aan het havenhoofd, maar worden gewoon het strand op getrokken.

Na het uitpakken van de bagage wandelen we naar het strand, aan de andere kant van het hotel. Een klein straatje met enkele huisjes en een restaurant leidt naar zee. Aan het eind van het straatje zien we een mooie baai met een prachtig goudgeel palmenstrand. Echt een plaatje uit een reisgids! Terwijl Marjan lekker gaat zwemmen, amuseer ik me in de schaduw van een palm met een boek en m'n reisverslag.

We eten vanavond op het terras voor het hotel. Eigenlijk is het meer een open sousterrain, want het ligt een stukje lager dan het straatniveau. Cachupa, een typisch Kaapverdiaanse soepmaaltijd met mais, bonen,erwten, kookbananen, tonijn, ui, tomaat, knoflook - en olijfolie, natuurlijk. Erg lekker!

Op de kamer is het warm. De zon warmt het gebouw snel op, maar het koelt maar langzaam af. De vin aan het plafond geeft gelukkig wat verkoeling, zodat we toch lekker kunnen slapen.

Dag 16, vrijdag 9 april 2004. Na het ontbijt in het hotel wandelen we wat rond in Tarrafal. We beschikken over enkele wandelroutes, maar het dorre bergachtige landschap nodigt niet echt uit tot het maken van een grotere tocht. Of misschien zijn we nu toch écht in een vakantiestemming gekomen...!

Tarrafal heeft, zoals we gisteren al zagen, een gezellig centrum. We wandelen naar het grote plein. Bejaarden zitten er genietend in de zon, kleine kinderen spelen op het gras. Rondom het plein zijn verschillende winkels en er is een kleine markt met groenten, vlees en fruit. De kerkdeur zit op slot; we kunnen het statige gebouw in Portugees-koloniale stijl dus alleen van de buitenkant bewonderen.

Tarrafal lijkt ondanks haar omvang een stille plaats. In de hobbelige, geplaveide straten komen we buiten het centrum nauwelijks mensen tegen. Het stadje oogt niet armoedig, maar dat de mensen het er goed hebben, kun je nu ook weer niet zeggen. Al slenterend door de straatjes van Tarrafal, waar Marjan door een bejaarde man wordt uitgenodigd voor een avondje stappen - je kunt niet weten! dacht hij waarschijnlijk - komen we in het haventje terecht. In een lange rij liggen de vissersboten op het strand. Ze zijn in felle tinten geschilderd, een kleurrijk gezicht. Van het havenfront wandelen we naar het palmenstrand. Lekker even zwemmen en wegdromen met een leuk boek - Headwind, van John Nance, een spannende luchtvaartthriller.

's Avonds eten we weer bij het hotel en de magere hotelkatjes eten natuurlijk met ons mee. Van slapen komt vannacht weinig. Even verderop is een disco, die tot vier uur 's nachts doorgaat. Tja, vrijdagavond ... Lees verder ...