Lapland: Een wandeltocht door Indre Troms, 21 augustus-7 september 1992

ReisMagazijn > Lapland: Een wandeltocht door Indre Troms

De reis

Vooraf | 1. Treinreis naar het hoge noorden, deel een | 2. Treinreis naar het hoge noorden, deel twee
3. Treinreis naar het hoge noorden, deel drie | 4. Met de bus naar Skibotn
5. Langs het Kilpisjävri en het Galdajävri naar de Galdahytta | 6. Door het Galdajävri-dal naar de Gappohytta
7. Over de Njärrejakka en door het Isdalen naar de Rostahyttene
8. Over de Rostaelva naar de Daertahytta in het Øvre Dividal Nasjonalpark
9. Over het Jerta-gebergte naar het Dividalen
10. Dividalen | 11. Door het Anjavasdalen naar de Vuomahytta | 12. Door onherbergzame streken naar de Gaskashytta
13. Door de berkenbossen van de Lifjellet naar de sledehondenman van Innset
14. Langs het Lappenkamp naar de Lappejordhytta | 15. Rustdag bij het Torneträsk
16. Naar het treinstation van Björkliden | 17. Thuisreis | Nawoord

Eerste pagina van deze reis | De foto's
14. Langs het Lappenkamp naar de Lappejordhytta

Donderdag 3 september 1992. Vroeg op. Björn Klauer en de Duitser met wie wij het huisje delen, brengen ons per auto naar de stuwdam waar wij onze wandeltocht door Indre Troms, helaas in regen en wind, vervolgen.

Over een laaghangende brug over de woest kolkende Aldesjakka trekken we het berggebied in. Het slecht gemarkeerde pad loopt over de heuvelachtige oostflank van het stroomdal van de Salvasskardelva, een brede rivier die door ontelbare kleine stroompjes uit de het dal omringende bergen wordt gevoed.

Het terrein is onoverzichtelijk. Schaapskuddes hebben hier een veelheid van paadjes uitgesleten en welk pad is nu het goede? Regelmatig moeten kaart en kompas worden geraadpleegd om te controleren of we ons nog wel op het juiste pad bevinden. Naarmate we stijgen, worden wind en regen harder en kouder.

Na een tocht van drie uur moeten we naar de overkant van de wilde Salvasskardelva. Achteraf kan ik niet goed vertellen waarom, maar ik heb verschrikkelijk veel moeite met de oversteek, moet er zelfs van hyperventileren - iets wat ik nog nooit eerder bij de hand heb gehad. Pas na herhaald aandringen van Marjan en Oncko steek ik, op trimschoenen, zonder rugzak, de rivier over. Alexander wipt even heen en weer om mijn rugzak op te halen. Voor hem is zo'n oversteek een fluitje van een cent. Toegegeven, de rivier is breed en het water stroomt snel, maar er liggen zat rotsstenen om over te springen en diep is het nergens. Ik snap zelf niet waarom ik zo'n aversie tegen rivieroversteken heb ontwikkeld, want zoveel stelt het nu allemaal ook weer niet voor.

In ieder geval - ik kom veilig en zonder valpartijen aan de overkant en de spanning ebt snel weg. Droge sokken en de bergschoenen aan, rugzak om, en verder.

Omhoog door een ongebaande woestenij, naar het Lappenkamp. Het pad moet hier wel ergens lopen, alleen: de markering ontbreekt volledig. Wij zoeken onze weg met kaart en kompas. Dat heeft wel tot gevolg dat we in dit moeilijke terrein voor de nodige verrassingen komen te staan. Onverwachts steile hellingen, moerassen en woelige rivieren staan niet op de kaart maar liggen wel op onze route ...

Het regent hard. Naarmate we hoger komen, gaat de neerslag over in hagel en natte sneeuw. Het wordt, voor het eerst op deze tocht, echt koud. De wind giert om ons heen. Het Lappenkamp, niet meer dan een kleine verzameling prefabricated hutjes, is een verzamelgebied voor de rendieren die in deze streek worden geweid. We zien in deze omgeving dan ook verscheidene kleine kuddes grazen. Het Lappenkamp, officieel Reingjërde Boozo-ai'dt geheten, ligt op de brede pas op 946 meter hoogte. In de luwte van een rotswand houden we een korte lunchstop op een steenworp afstand van de hutjes waar overigens geen levende ziel te bekennen is.

Ik voel m'n knie - vermoeidheid, kou en nattigheid eisen hun tol. M'n rechteroog lijkt wel bevroren; ik kan er nog maar nauwelijks door zien. Ik maak me er veel zorgen over. Gelukkig gaat dat in het komende uur langzaam over. Nee, erg happy voel ik me niet op dit moment!

Na de pas dalen we af door een drassig en weelderig met gras begroeid dal, waar we verschillende kuddes rendieren ontdekken. In één van die kuddes ontdekken we een albino rendier. Het lijkt ons een bijzonderheid. De dieren zijn op hun hoede en bewaren een flinke afstand tot ons groepje.

Ons pad voert over de Lairevaggi, zuidwaarts om de rotspunt van de Cappesbakti (1225 meter) heen. Onderweg passeren we de brug over de Riksujakka, een wilde bergrivier, die een diepe kloof in het dal heeft uitgesleten. Brug is eigenlijk een te groot woord - het gevaarte bestaat uit twee metalen staven waaraan houten planken zijn bevestigd die overduidelijk hun beste tijd hebben gehad. Het merendeel is verrot. Op handen en voeten, houvast zoekend aan de metalen staven, kruipen we erover heen. Diep beneden ons bruist en kolkt het water, nu eens niet een ongevaarlijk ondiep bergstroompje maar een échte woeste bergrivier.

Even voorbij de rotspunt steken we een duidelijk onschuldiger zijrivier, de Savzajakka, over. Een echte gletsjerrivier. In het hooggelegen berggebied ten noorden van ons bevinden zich nog enkele restanten van IJstijd-gletsjers. Uitkijkend naar het zuiden kunnen we door het stroomdal van de Riksujakka heel in de verte het Torneträsk al zien liggen.

Door een moeras wandelen we naar de voet van de Ganesbakti (1025 meter). We genieten, ondanks de vermoeienissen en het slechte weer, van de prachtige sneeuwvelden in deze woeste uithoek van Noorwegen. Over één van de sneeuwvelden trekt een kudde rendieren. Achter elkaar lopend, in silhouet zwart afstekend tegen de sneeuw, is het net een beeld uit een Walt Disney film.

Het pad voert ons over de noordelijke flank van de Ganesbakti langs de uitloper van een kleine gletsjer naar een groot komvormig dal, vol met grillig gevormde bergmeren, Lullehacarro geheten. Op de kaart zie ik dat het nu niet zo ver meer is naar de hut. Dit is dus één van die dagen dat ik echt de kilometers tel!

Met een grote boog naar het noorden voert het pad dan eindelijk omlaag, uit het bergland, naar de plaats waar wij de Lappejordhytta, nu nog verscholen achter regensluiers, vermoeden. Een laatste rustpauze op een plateau begroeid met heide. Beneden ons zien we de eerste berken al weer staan. Van wat verderop mooie uitzichten over een diepe rotskloof, Sjaframhaugen.

Als we onze tocht vervolgen, zien we al spoedig het Torneträsk, het grootste meer van Noord-Noorwegen, in zijn volle omvang voor ons liggen. Net als op andere dagen begint het weer, nu we wat lager zijn, te verbeteren.

Drie kwartier later arriveren we bij de hut. Het is inmiddels droog en het grijze wolkendek begint te breken. Half vijf is het inmiddels; we hebben tien uur gelopen met, alles bij elkaar geteld, niet meer dan een half uur pauze. Iedereen is dan ook blij dat we het einddoel hebben bereikt. Snel de kachel aan. Het rek boven de kachel hangt in een mum van tijd vol kleren. We hebben nauwelijks nog een droge draad aan ons lijf. Maar hete thee en warme soep maken dat we ons snel weer mens voelen.

Toch nog een kleine wandeling in de omgeving gemaakt. Langzaam aan, want ik merk dat ik mijn knie nu toch wel behoorlijk heb geforceerd. Maar wat in beweging blijven, kan geen kwaad. Morgen is het weliswaar een rustdag maar zaterdag is het nog best een behoorlijke wandeling naar het eindpunt van onze tocht, die ik uiteraard in zijn geheel wil uitlopen.

Om zes uur eten. Bietjes met aardappelpuree en een hamburger. Marjan en ik doen de afwas. Na zo'n enerverende dag is het toch best gezellig napraten. Zeker in zo'n comfortabele hut, bij een warme kachel en met sfeervol kaarslicht. Lees verder ...