Ierland: The Complete Wicklow Way, 23 augustus - 4 september 1990

ReisMagazijn > Ierland - The Complete Wicklow Way

De reis

Vooraf | Naar Dublin en Bunclody
De Wicklow Way van Clonegal naar de Junction for Raheenakitt
De Wicklow Way van de Junction for Raheenakitt naar Ballycumber
De Wicklow Way van Bridgeland naar de Iron Bridge
Naar Arklow
De Wicklow Way van de Iron Bridge naar Drumgoff
De Wicklow Way van Drumgoff naar Glendalough
Glendalough Valley
De Wicklow Way van Glendalough naar Lough Tay
De Wicklow Way van Lough Tay naar Knockree
Een wandeling door Powerscourt | De beklimming van de Great Sugar Loaf | Het strand van Bray
De Wicklow Way van Knockree naar Marlay Park
Naar Dublin

Eerste pagina van deze reis | De foto's
Glendalough Valley

Achtste dag, donderdag 30 augustus 1990. Vandaag geen Wicklow Way maar een rondwandeling door de Glendalough Vallei. Omdat de met het busje te overbruggen afstanden vandaag maar klein zijn, eten we gezamenlijk. Na het ontbijt rijdt Roland ons naar het bezoekerscentrum van de vallei, waar we de kleine tentoonstelling bezichtigen.

Glendalough of Gleann da Loch, de Vallei van de Twee Meren, is beroemd vanwege haar vroegchristelijke klooster, gesticht door St. Kevin in de zesde eeuw. Kevin wist een groot aantal discipelen om zich heen te verzamelen en het aanvankelijk kleine klooster breidde zich sterk uit. Kevin werd in 570 tot abt benoemd en stierf in 617 of 618.

Het klooster maakte van de zesde tot de twaalfde eeuw een doorlopende bloeitijd door als centrum van cultuur en wetenschap en als bedevaartplaats voor pelgrims. Het doorstond gedurende deze periode talloze aanvallen van heidense Ierse stammen uit de omgeving en van buitenlandse invallers, zoals de Noormannen. Met de opkomst van de Europese kloosterorden in Ierland en de samenvoeging van de gemeenten van Glendalough en Dublin zette in de dertiende eeuw het verval in. Desondanks bleef Glendalough een centrum voor pelgrims en bezoekers, speciaal voor het feest rond St. Kevin's Day op 3 juni. Dit van oorsprong religieuze feest ontaardde in de achtiende en negentiende eeuw meer en meer in een excuus voor een goede vechtpartij - totdat een van de leidende geestelijken daar persoonlijk een einde aan maakte.

Inmiddels zijn de overblijfselen van het kloosterkomplex gerestaureerd en voor bezoekers toegankelijk. Zo maken we onder leiding van een gids een rondwandeling over het terrein. Ondanks de drukte - er zijn zojuist twee toeristenbussen gearriveerd - ademen de restanten van het oude klooster een serene rust uit. Dat wordt niet in het minst veroorzaakt door de vele kruizen en graven op het terrein. De nog overeind staande gebouwen, de Round Tower, de kapel en het kleine kerkje zijn alle omgeven door mysteries. Zowel wat bouw als gebruik betreft heeft men nog lang niet alle geheimen ontsluierd.

Na een lunch op het terrein voor het bezoekerscentrum kan iedereen zijns of haars weegs gaan. Er zijn mogelijkheden te over: je kunt je verder verdiepen in de oude ruïnes; het dorpje Laragh ligt vlakbij en er zijn een aantal interessante wandelingen uitgezet in de vallei.

Na nog een rondgang in een wat rustiger tempo door het kloostercomplex haakt Marjan, die wat last van haar voet heeft, af. Ik besluit de uitgezette wandelingen te gaan doen - we zien elkaar dan straks wel weer bij het bezoekerscentrum. De wandelingen liggen in elkaars verlengde en zijn dus gemakkelijk achter elkaar te lopen. Vanaf het klooster kun je op deze manier alle bezienswaardigheden van de vallei bezichtigen.

Buiten het klooster zie ik weinig mensen. De zon schijnt maar er staat nogal veel wind; misschien voor veel mensen een beletsel om te gaan lopen. De eerste wandeling, de Green Road Walk, voert langs een aantal bezienswaardigheden als een oude steen met een uitholling die door monniken werd gebruikt om graan in te malen.

De bossen bij het Lower Lake bestaan nog uit oude, natuurlijk gevormde eikenbossen. Ik loop langs een stuk bos met een paar reusachtige eiken. Het is vreemd te bedenken dat dit gebied sinds de komst van St. Kevin naar deze streken niet door mensen veranderd is. En dat in een deel van Ierland waar de bosbouw zo'n belangrijk middel van bestaan is.

Het Lower Lake wordt ook wel Loch na Peiste, Meer van het Beest, genoemd. In het dertien meter diepe meer is echter nooit iets anders gevonden dan forel en stekelbaars.

De Green Road Walk eindigt bij de informatiekiosk bij de oevers van Upper Lake. De krachtige wind die recht de vallei inblaast, zorgt voor witte schuimkoppen op de golven van het meer.

Een honderd meter van de rand van Upper Lake bevinden zich de overblijfselen van een Caher, een stenen ringfort. Waarschijnlijk was dit de plaats van een oude boerennederzetting. Binnen de stenen muren bevonden zich de houten hutten, beschermd tegen kwade invloeden van buitenaf. Midden in de Caher staat wat over is van een eeuwenoud Iers kruis.

Het gezicht vanuit de Caher op het meer is eigenlijk een terugblik in de geschiedenis. De bergen in de verte zijn gevormd van 400 miljoen jaar oud graniet. De ronde, bijna platte toppen zijn deel van een hoog plateau dat de hoge toppen van de Wicklow Mountains vormt. Vijftien miljoen jaar geleden was dit plateau onderdeel van een Centraal-Ierse laagvlakte en bedekt met een dicht tropisch regenwoud.

Ongeveer in dezelfde periode werden de Wicklow Mountains gevormd door het omhoogdrukken van de granietlaag. Als je je de V-vormige vallei waarin het meer ligt, bedekt met dichte donkere wouden voorstelt, heb je een beeld van Glendalough voordat de IJstijden begonnen. Gedurende die IJstijden, die 1,7 miljoen jaar geleden aanvingen, werden de valleien van de Wicklow Mountains gevuld met gigantische gletsjers, tot wel 300 meter dik. Zo groot was de kracht van deze ijs- en steenrivieren, dat de vallei werd uitgesleten tot haar huidige U-vorm en ontdaan van alle plantengroei.

Wandelend naar de noordzijde van Upper Lake kom ik bij de oude Miner's Road, omgeven met hoge Schotse pijnbomen en het begin van de Miner's Road Walk. De bomen zijn hier rond 1850 geplant door de Mining Company of Ireland, die de loodmijnen aan het eind van de vallei exploiteerde. De stammen werden gebruikt om de mijnschachten te stutten.

Met veel moeite is aan de overzijde van het meer een grot, St. Kevin's Bed, te zien. De grot werd 1400 jaar geleden door St. Kevin gebruikt om te mediteren. Waarschijnlijk is de grot zelf veel ouder. Misschien is zij al in de Bronstijd uitgehakt als begraafplaats voor een belangrijk stamhoofd.

Even verderop ligt de ruïne van een oude kerk uit de tijd van St. Kevin. Aan het eind van het meer bevindt zich de monding van de Glenealo River, een klein bergriviertje. Omkijkend zie ik hoe het pad ongemerkt omhoog is gegaan. Upper en Lower Lake, en in de verte de Round Tower, liggen al een heel eind beneden mij.

Een kleine kilometer verder sta ik tussen de overblijfselen van het oude mijndorp. Tussen 1800 en 1880 was hier een levendig dorp, waar zo'n 100 mensen woonden en werkten. In de bloeitijd van de mijnen werkten er zo'n 2000 mensen in deze omgeving. In 1880 werden de mijnen gesloten en in 1919-1920 was er een kleine opleving, totdat de prijs van het lood sterk daalde en de zaak opnieuw over de kop ging.

Het gebied rond het dorp bestaat voornamelijk uit kale rots. De grond is hier sterk verontreinigd met lood, zink en arsenicum. Onder de enkele planten die het hier wel doen, zitten een aantal bijzondere mossoorten, die hun voedsel uit de lucht kunnen halen. Behalve de fundamenten van huizen en fabriekshallen vind ik hier ook nog de roestige overblijfselen van de in 1919-1920 gebruikte plethamer in het zand aan de oever van de rivier.

Voorbij het dorp wordt het pad smaller en voert het door een ruig landschap van naar elkaar groeiende berghellingen en enorme, meer dan manshoge rotsblokken.

Op een gegeven moment hoor ik op de rotsen naast mij wat rumoer. Tot mijn verrassing staan vier, vijf berggeiten mij vanaf een grote rots te observeren. Voor twee ervan is het nieuwtje er snel af. Het zijn rivalen en het kennelijk door mijn komst onderbroken gevecht wordt hervat. Met grote kracht kletteren de reusachtige gedraaide horens tegen elkaar. De andere dieren verdelen hun aandacht tussen mij en de vechtende bokken. Het ziet er niet naar uit dat ze verder iets in mijn richting van plan zijn, dus loop ik verder.

Een Fransman, op eigen gelegenheid met zijn vrouw op reis in Ierland, komt me achterop. Het blijkt hier te wemelen van de berggeiten. De dieren vallen uit de verte nauwelijks op; hun vacht heeft dezelfde kleur als de rotsblokken waarmee de omgeving hier bezaaid is. Enkele beesten blijven nieuwsgierig op het pad staan, maar verdwijnen als we te dichtbij komen.

We lopen langs de Glenealo River, hier een dun stroompje van nog geen meter breed dat over een rotsige bedding omlaag klatert. Vanaf het hoogste punt van de vallei hebben we een geweldig panorama over Glendalough. De zon is net even doorgebroken na een periode van bewolking en de diepblauwe meren schitteren in het licht.

Langzaam wandelen we weer omlaag. Tot mijn verrassing zie ik bij het mijndorp opeens Marjan, Theo, Anton en Mieke aan komen lopen. Na wat rust gaat het gelukkig weer beter met haar voet. Samen met Marjan en Theo bezichtig ik nogmaals de ruïnes. Het weer is erg wisselvallig geworden en na de zonneschijn van zojuist komt nu snel een donkere regenwolk naderbij. Gelukkig bieden de ruïnes voldoende schuilplaats. Onze regenjassen gaan aan en uit voor enkele korte maar hevige plensbuien.

Met Theo ga ik nog even kijken bij de berggeiten. De twee vechtjassen zijn nog steeds bezig maar hebben zich een honderd meter naar het einde van de vallei verplaatst. Het is nu wel menens met het gevecht, dat zich midden op het pad afspeelt - de enige vlakke plaats hier. Aanval volgt op aanval en het is niet uit te maken wie van de twee het onderspit zal delven. De andere dieren laten ons niet dichterbij komen. Een prachtig lichtbruin mannetje met vervaarlijke horens komt dreigend op ons afgelopen. Dit gebied hoort aan de dieren - voor mensen is hier op dit moment geen plaats. Terug dus.

Bij de ruïnes ontmoeten we nog meer reisgenoten: Annie, Dick, Rik, Frank en Anja. Samen lopen we terug naar het bezoekerscentrum. Vlak daarbij komen we Roland tegen, die ons een lift geeft naar Laragh, waar we bij een vriendelijke familie op hun terrasje theedrinken. De hond van de familie, Sukie, is net zo toeschietelijk en kan het heel goed vinden met Marjan.

Een uurtje later wandelen we naar The Brudge, een oude herberg met een knisperend open haardvuur, voor een hele gezellige maaltijd. Het eten stelt niet zoveel voor maar de sfeer des te meer. Marjan en ik vinden het voor de eerste keer écht gezellig met onze reisgenoten.

Na nog een Irish Coffee met het busje terug naar Woodside, waar ik de rest van de avond doorbreng met douchen, lezen en het reisverslag bijwerken. Marjan gaat met een paar reisgenoten nog even naar Roundwood, waar in een aantal pubs vanavond van levende muziek te genieten valt. Ik word wakker als ze terugkomt - zo te horen is het een hele leuke avond geweest. Lees verder ...