Een rondreis door Algerije, 23 december 1989-14 januari 1990

ReisMagazijn > Een rondreis door Algerije

De reis

Vooraf | Verhuizing | Op weg naar Algerije | In Algiers | De ruïnes van Tipasa | In Oran | Tlemcen
Zandduinen, rotstekeningen en oases | Langs de Marokkaanse grens | Sleeën in de woestijn
Ontdekkingstocht in Timimoun | Het kerkje van pater De Foucauld | In de M'Zab-vallei
Door de woestijn naar Touggourt | Wandeling door de zandduinen | De markt van El Oued
Door het Aures-gebergte | De Romeinse ruïnes van Timgad | Constantine | De ruïnes van Djemila
Het Lunapark van Setif
| De Apenkloof | Wandeling door Bejaja | Terug naar Zeralda
Vakantie in Sidi Fredj | Terug naar Nederland | Naschrift

Eerste pagina van deze reis | De foto's
In de M'Zab-vallei

Zondag 31 december 1989. Warm water! Samen met Marjan gedouched. Om acht uur start de bus en glijdt een inmiddels bekend landschap van tafelbergen, vlakten en zandduinen aan ons voorbij. Het is erg regenachtig vandaag en dat levert behalve nattigheid nog een bijzonder verschijnsel op: regenbogen in de woestijn.

Bij een weg-koffiehuis houden we een korte stop. De weg van El Golea naar Ghardaia is goed, maar op veel plaatsen ondergestoven. Dit traject wordt constant met bulldozers schoongehouden. In het gebied van de Chaamba bergen heeft het zo hard geregend, dat er plassen water op de woestijnvlakte staan.

In de bus kondigt MoMo aan dat er vanavond een extra uitgebreid diner ter gelegenheid van oudejaarsavond voor ons gereed staat - echter wel voor een extra uitgebreid prijsje: 700 dinar. Een bespottelijk bedrag en we laten dan ook weten daar niets voor te voelen. Het gebruikelijke diner is ons goed genoeg.

Tien kilometer voor Ghardaia doemt in the middle of nowhere een reusachtig industriegebied op. De moderniteit is een anachronisme in deze omgeving.

De M'Zab. In de reisgids lezen we het volgende over de geschiedenis van deze vallei: "In 658 staakte Ali, die getrouwd was met Fatima, de dochter van de profeet Mohammed, de strijd tegen de stadhouder van Syrië. De twist betrof de erkenning van de kalief. De volgelingen van Ali en Fatima waren puriteinen en wilden uitsluitend een wettige afstammeling van de profeet Mohammed als kalief erkennen. De Omijaden, vrijzinnige moslims, hadden zich echter met geweld van het kalifaat meester gemaakt. Een deel van de volgelingen van Ali en Fatima waren tegen de vrede die Ali met de Omijaden sloot, scheidden zich af en noemden zich de Ibadieten, de 'afgescheidenen'.

Na de moord op Ali in 661 voerde Ibn Rostem de Ibadieten, naar deze leider ook wel de Rostemiden genoemd, in ballingschap naar Noord-Afrika. Daar werden ze in de volgende eeuwen verschillende malen van hun woonplaatsen verdreven. In 1072 vestigden zij zich in het diepste gedeelte van een verloren vallei in een kale woestenij: de M'Zab. De stad die het eerst werd gesticht was El-Ateuf, de 'Bocht in de Vallei', gevolgd door Bou-noura, de 'Lichtstad' en Ghardaia. Ghardaia betekent 'De Grote Daia'. Volgens een legende was Daia een zwangere vrouw, door haar ouders werd verstoten en vervolgens door een vrome man opgevangen, die met haar trouwde. Ook werd Melika, de 'Koningin', gesticht. Drie eeuwen later, toen een nieuwe golf Ibadieten hier hun toevlucht zocht, verrees Beni-Isguen, de 'Zonen van de Gelovigen'.

De vijf steden liggen in een dal van ongeveer zeven kilometer lang,dat bijna geheel van de buitenwereld is afgesloten door de omringende chebka, een grote droge vlakte waar bijna geen leven mogelijk is. De huizen en de omheiningen zijn gebouwd met okerkleurige stenen die van deze vlakte afkomstig zijn.

De stadsstructuur van de M'Zab weerspiegelt een theocratische maatschappij van streng godsdienstige ingetogenheid. Strenge zeden en gewoonten kenmerken tot op heden het leven van de Mozabieten, zoals de Ibadieten die zich in de M'Zab vestigden, worden genoemd." Tot zover de tekst uit onze reisgids.

Na enkele bochten - MoMo heeft het over een Belvedere - zie we in een langgerekt dal de steden liggen. Voor ons Beni-Isguen, daarachter Melika en dan Ghardaia. Zuidoostelijk bevinden zich nog twee steden. Een bijzonder gezicht, deze bijna piramidevormige steden, met hun blauw-geel-witte doosvormige huizen en de okerbruine moskee op het hoogste punt in de kale vallei.

De sfeer die ik proefde uit de reisgids zie ik hier echter in het geheel niet terug. Van een stap terug in de tijd of een dorpse atmosfeer is geen sprake. Alles in de M'Zab vallei is veel groter, drukker en vooral stadser dan ik verwachtte. We rijden over een gloednieuwe tweebaans-autoweg, met aan weerszijden trottoirs en moderne kantoorgebouwen, fabrieken en winkels. Het verkeer op de kruispunten wordt door agenten geregeld. We zien veel mannen én vrouwen op straat. Van de hier heersende strenge zeden is op het eerste gezicht weinig te merken.

In Ghardaia neemt Mohammed de bocht naar de zijweg waaraan ons hotel Les Rostemides ligt net iets te krap, wat hem een klein botsinkje met lichte blikschade oplevert. Dat is hier kennelijk onvoldoende om te stoppen en de schade te bekijken, want Mohammed rijdt gewoon door.

Het hotel is weer zo'n gigantisch bouwwerk in zachte pasteltinten. Les Rostemides is gebouwd op de plaats van een oud fort. Een prachtige buitenkant en entree, maar binnen is veel kapot en zoals als we in eerdere hotels op deze reis merkten, gerepareerd wordt er eigenlijk niet.

We worden overigens in stijl ontvangen, met dadels en kamelemelk als (bitter) welkomstdrankje. Marjan en ik hebben kamer B 116. Een teleurstelling: het plafond is deze keer gewoon wit. Het is wel mooi meegenomen dat, althans op onze kamer, alles werkt - water licht, ventilatie, alles doet het.

Om één uur is het lunchtijd. Het restaurant, ingericht in Arabische stijl met veel kleden en poefs, is vrolijk versierd met slingers. Helaas duurt het lang voordat het eten wordt opgediend, en dat terwijl ik eigenlijk zo nieuwsgierig ben naar Ghardaia! Onder het eten, salade, rijst met schaap en sinaasappels na, komt MoMo nog eens vragen of we toch niet geïnteresseerd zijn in dat overheerlijke uitgebreide diner dat hij ons in de bus al aanprees. De Hollanders houden voet bij stuk; de Belgen laten zich bepraten. Daar zal de andere eetcultuur van onze zuiderburen wel debet aan zijn. En nu snel eten en dan Ghardaia in!

Ghardaia is de hoofdstad van de M'Zab. Marjan en ik wandelen door de belangrijkste winkelstraat van de stad naar het prachtige met arcaden omgeven marktplein. Daar is een schilderachtige markt in vol bedrijf. De handelwaar is overvloedig en gevarieerd, van groenten - we zien veel fruit, wortelen en kool - tot stoffen, kledij en schoeisel, van grote tapijten tot gereedschappen en gebruiksartikelen voor in huis en op het land, in alle soorten en maten. Alhoewel er wel enkele stalletjes zijn waar wat souvenirs verkocht worden, lijkt de invloed van het toerisme hier minimaal.

Het is een drukte van belang. Een gestage stroom kopers, voor het merendeel in de lange gewaden gehuld die hier in het midden van de woestijn gebruikelijk zijn, trekt langs de koopwaar, keurt hier en daar wat. Druk pratend en met grote gebaren wordt over de prijs onderhandeld. Op deze markt treffen we vrijwel uitsluitend mannen aan. Het kopen en handelen is hier geen zaak voor vrouwen. Fotograferen wordt duidelijk niet op prijs gesteld. De camera blijft daarom de meeste tijd in de tas.

Via een smalle straat wandelen we langs de noordzijde van de stad langzaam omhoog. In het oude gedeelte van de stad liggen de huizen in een piramidevorm op elkaar gestapeld. Door bochtige steegjes en over hoge trappen wandelen we langzaam naar het hoogste punt van de stad, de moskee. De meeste mensen zijn aan het werk of op de markt. Hier in de stad komen we hooguit een enkele vrouw en wat kinderen tegen.

Na ons bezoek aan de markt hebben we onze mening over de strenge zeden herzien. Die zijn wel degelijk duidelijk zichtbaar in het openbare leven. De zwaargesluierde vrouwen hebben veelal slechts een klein kijkgaatje in hun gewaad om te kunnen zien waar ze lopen. Wanneer ze ons zien naderen, draaien ze hun gezicht naar de muur en blijven zo met gebogen hoofd staan tot wij gepasseerd zijn.

De kinderen zijn vrij en groeten of zwaaien in het voorbijgaan. 't Is hier groeten en bedelen tegelijk, te oordelen naar de vele keren dat ons "bonjour-stylo!" wordt toegeroepen, alsof het zo hoort. De mannen die we onderweg ontmoeten, zeggen ons vriendelijk gedag. Na wat gezoek in de doolhof van straatjes en steegjes in de binnenstad vinden we de moskee - verboden terrein voor ongelovigen, lezen we op een bordje bij de ingang.

Via verstilde kronkelstraatjes, soms overkapt door woningen of bruggetjes, wandelen we terug naar de geplaveide hoofdstraat met z'n drukbezochte winkels. Onderweg komen we nog een bord tegen, zonder twijfel speciaal voor de buitenlandse toeristen gemaakt, dat ons op de hier geldende goede manieren wijst: decente kleding, een gezin dat uit man, vrouw en kind bestaat en een plaatje van een fototoestel met een streng rood kruis er doorheen.

Her en der wordt druk gewerkt, met troffel en verfkwast, aan het onderhoud van de eeuwenoude stad. De hoofdstraat komt uit bij het grote marktplein, waar we onze rondwandeling begonnen. We ontmoeten er twee van onze Belgische reisgenoten, verwikkeld in het aankoopritueel rond een mooi tapijt. We lopen nog eens rond het plein - er is hier zoveel te zien. Bijna niets is zo leuk als een wandeling over een marktplein in een vreemd land!

De Mozabieten staan bekend als goede handelaars en in de steden van Noord-Algerije is de kruidenier of slager 'om de hoek' vaak een Mozabiet.

In een souvenirswinkel koop ik wat ansichtkaarten van Ghardaia. Op de terugtocht naar ons hotel kijken we uit naar een restaurantje waar we vanavond kunnen eten. Keus genoeg, zo blijkt, maar eenmaal in Les Rostamides horen we al spoedig dat het MoMo toch is gelukt om een (min of meer) normale avondmaaltijd voor ons te organiseren.

Om kwart over drie vertrekken we met de bus naar Beni-Isguen, de stad in de vallei met de strengste zeden. Beni-Isguen is omgeven door een hoge muur met drie poorten. Vanaf het middaguur tot half vier is de stad in gebed en worden de poorten gesloten voor vreemdelingen. Bepaalde wijken zijn voor vreemdelingen niet toegankelijk en zij mogen de nacht niet in de stad doorbrengen. In deze gesloten gemeenschap trouwen de inwoners onder elkaar en bijna iedereen is familie.

Nadat we een groot bord met een indrukwekkende lijst van wat hier allemaal niet mag, hebben bestudeerd wandelen we onder de oude stadspoort door. De hooggespannen verwachtingen over deze 'authentieke' stad worden helaas niet vervuld. Het is erg stil op straat en de - verplichte - gids, Ibrahim, heeft weinig interessants te melden. Vanachter dikke jampotglazen kijkt hij ons wat wazig aan. Mensen met oogafwijkingen is trouwens iets wat hier sterk opvalt - heel veel mensen in deze gesloten gemeenschap hebben er last van.

Via een achterafstraatje worden we naar de toren van de Bordj Cheikh El Hadj, een soort vesting, gebracht. Het aardige van dit punt is dat ons zo een blik wordt gegund op het 'dak-leven' van een traditionele Arabische stad. Maar aan de andere kant is het gewoon een toeristenval, want we zijn bepaald niet de enigen hier! Terug naar beneden wandelend zien we hoe een andere gids zich tegen betaling door toeristen laat kieken, iets wat hier uitdrukkelijk verboden is. Zo zie je maar wat principes waard zijn als er met geld gewapperd wordt en wat een vervelende invloed het toerisme kan hebben op lokale culturen.

Op het marktplein in het centrum van Beni-Isguen worden de goederen nog op traditionele wijze, bij opbod, verkocht. Het is hier echter zo druk met kopers en vooral vreemdelingen, dat we helaas nauwelijks enig zicht krijgen op het gebeuren. Terug dan maar naar de stadspoort.

Marjan gaat met de bus mee terug naar het hotel. Peter, Dorothée en ik besluiten terug te lopen. Langs de autoweg vinden we een fotozaak waar zowaar diafilm te krijgen is. Ik maak maar meteen van de gelegenheid gebruik. Diafilm is hier moeilijk te vinden en 't gaat met fotograferen altijd sneller dan je denkt.

Een autoweg, fotozaken - in deze vallei is duidelijk sprake van modernisering. Maar het is voor het overgrote deel een modernisering die zich voltrekt op materieel gebied. Tradities worden in ere gehouden en een tiende deel van de oogst wordt nog steeds verdeeld onder de armen van de Mozabieten-gemeenschap.

Peter, goed voorbereid op deze reis door Algerije, wijst ons de weg naar het stadje Melika. Dit is een van de minst toeristische, ook wat armere stadjes van de vallei. We komen er inderdaad geen andere vreemdelingen tegen. We bereiken het centrum op het moment van het scheiden van de markt. Het plein is volgestroomd met mensen die hier wat rondwandelen of met deze of gene een praatje maken. Er heerst een gezellige, ontspannen sfeer. Via steil oplopende straten en stegen doorkruisen we de stad.

Aan de oostelijke zijde ligt de beroemde begraafplaats. De kerkhoven tegen de hellingen aan de buitenkant van de steden vormen een belangrijk element van het landschap van de M'Zab. Hier vindt men de meest vreemdsoortige asymetrische monumenten op de graven, die menig hedendaags architect intrigeren. Op de graven ziet men vaak scherven van aardewerk kruiken. Deze symboliseren de broosheid van het leven en zijn tevens een herkenningsteken voor de nabestaanden - grafstenen zoals bij ons kent men hier niet.

Het rossige licht van de laagstaande zon werpt lange schaduwen op achter de grillig gevormde grafscherven van de gewone stervelingen op de helling naar beneden en op de merkwaardige ronde vormen van de grote witte grafmonumenten van vooraanstaande personen (de plaatselijke heilige Sidi Aïssa en zijn familie) op de afgeplatte top van de helling, waar wij ons nu bevinden. Ik ben in het algemeen niet zo weg van begraafplaatsen, maar moet toegeven dat hier wel een heel bijzondere sfeer heerst.

In het noorden, enkele kilometers verderop, ligt Ghardaia. Vanaf deze hooggelegen begraafplaats hebben we een prachtig uitzicht - en worden we gewaarschuwd voor een naderende zandstorm, die de hemel boven Ghardaia dieprood kleurt. Terwijl de wind in kracht toeneemt en de eerste zandkorrels in onze gezichten waaien, zoeken we beschutting in de binnenstad van Melika. Wat later begint het zachtjes te regenen en dat doet het effect van de opkomende zandstorm snel teniet zodat we zonder problemen, alleen een beetje nat, onze weg naar Ghardaia kunnen vervolgen.

Via een gravelweg rond Melika en een groot aquaduct over de nu droogliggende rivierbedding van de Oued M'Zab, voetbalveld voor de plaatselijke jeugd, komen we via een groene buitenwijk bij het hotel.

Aan tafel voor het diner behalve ons groepje ook een wat ouder Belgisch echtpaar, dat een reis naar de Hoggar heeft gemaakt. Vooral de man weet met veel smaak en humor te verhalen hoe zij alle 'ontberingen', slecht eten en slechte accomodatie, hebben overleefd. Het Hoggar gebergte lijkt ons een intrigerende plek. Marjan en ik maken gelijk plannen er op een volgende reis heen te gaan.

Het hotelpersoneel is inmiddels druk met de voorbereidingen voor het grote oudejaarsdiner en -feest van vanavond en dat betekent heel wat geharrewar tijdens het eten. Desondanks wordt het, door de aanwezigheid van onze nieuwe Belgische kennissen, een van de gezelligste maaltijden van deze reis.

Tijdens het dessert marcheert er opeens en luid schetterende en trommelende drumband door de eetzaal en tegen achten wordt ons min of meer te verstaan gegeven te vertrekken, daar het grote feest - waar wij immers niet voor wilden betalen - gaat beginnen.

We nemen afscheid van het Belgische paar en gaan naar Ghardaia. In het kleine restaurant Tires, aan de rand van de stad, drinken we koffie. Door een plakkerige Arabier die vergeefs maar wel hardnekkig kontakt zoekt met Marjan wordt het niet echt gezellig. Het is een vreselijke zeurkous die in slecht verstaanbaar Frans ons in een gesprek betrekt waar we helemaal geen zin in hebben - alhoewel Marjan het later nog wel eens over zijn, kennelijk aantrekkelijke, scherpe trekken heeft.

Marjan voelt zich nog steeds niet helemaal fit. We gaan, na een vergeefse zoektocht naar een ander, gezelliger, restaurant terug naar het hotel. Behalve toeristen bevinden zich hier vanavond ook een aantal vooraanstaande Algerijnen, maar zonder problemen passeren we het daarom aanwezige politiecordon rond het hotel. Om elf uur liggen we in bed en gaan slapend het nieuwe jaar in.

Maandag 1 januari 1990. Vandaag geen lange busreis - lekker uitslapen dus. Om half tien op naar het ontbijt met lekkere zachte zoete broodjes. Aan tafel treffen we Ans, Dorothée, Mariëtte en Hans en de Duitse familie Fürst. Uitgebreid worden nieuwjaarswensen uitgewisseld.

Om tien uur vertrekken we naar Ghardaia. Op de markt is het nu nog veel drukker dan gisteren. Meer handelaren, die vaak per ezel hun koopwaar naar de markt vervoeren en veel inwoners van Ghardaia die inkopen doen. Andere toeristen zijn er nauwelijks. Wat verderop zijn ook de winkels al open. Nieuwsjaarsdag heeft hier geen betekenis; de Islam heeft haar eigen kalender. In de ook al drukke hoofdstraat koop ik in een boekwinkel een boekje over het Aures gebergte, dat we over enkele dagen zullen bereiken.

In wat meer afgelegen stegen zien we vrouwen hun huisvlijt verhandelen. Enigszins verbaasd zijn we wel hierover, omdat de vrouw hier zo'n, althans naar westerse maatstaven, ondergeschikte rol speelt. Meer naar het centrum toe of op de grote markt is geen sprake van vrouwelijke activiteit in het openbaar.

Na een uitgebreide wandeling door Ghardaia keren we terug naar het hotel waar we, gezeten op het zonnige terras bij het zwembad, lunchtijd afwachten.

In de middag met de bus naar de palmentuin van de vallei en El-Ateuf, de oudste stad van de M'Zab, ten noorden van Ghardaia verscholen in de bocht van de vallei. Marjan, nog steeds niet helemaal fit, blijft liever in het hotel. De palmentuin is een doolhof van smalle zandpaden en hoge omheiningen. In tegenstelling tot oases die wij eerder bezochten staan hier temidden van de gewassen ook woonhuizen. Ondanks het feit dat het hier toch echt winter is, groeit en bloeit er nog genoeg: we zien granaatappels aan lage struiken, veel groenten en aan de bomen hangen rijpe citroenen en mandarijnen.

De oase werd aanvankelijk geïrrigeerd met water dat afkomstig was uit putten die soms wel 60 meter diep waren. Het water werd naar boven gehaald in leren zakken, met behulp van ezels of kamelen, en vervolgens over een net van irrigatiekanalen, seguia's, verspreid. Deze seguia's werden met leem bedekt om te voorkomen dat het water weer wegliep in de grond. In het recente verleden telde de M'Zab nog 3000 waterputten, die ongeveer 270.000 palmbomen bevloeiden. Tegenwoordig worden de huizen van de meer dan 100.000 inwoners van de M'Zab van water voorzien via een stelsel van leidingen dat door een watertoren wordt gevoed.

Verder met de bus naar El-Atteuf, negen kilometer ten noorden van Ghardaia. Weer worden ons de diensten van een lokale gids opgedrongen, al moet ik wel toegeven dat het een wat vriendelijker persoon is dan onze begeleider in Beni-Isguen. Van de begraafplaats naar de Moskee van Sidi Brahim - naar verluid een inspiratiebron voor de Franse architect Le Corbusier. In een steegje zien we drie bogen van palmtakken, teken dat hier kort geleden drie bruiloften zijn gevierd.

Een fotostop bij Bou-Noura, een van de armste steden van de M'Zab. Het bovengedeelte van de stad is grotendeels tot ruine vervallen. We rijden naar Melika, waar we nogmaals de begraafplaats bezoeken waar ik gisteren tegen zonsondergang met Peter en Dorothee vertoefde. Via een alternatieve route wandel ik met Hans, Mariëtte en de familie Fürst terug naar Les Rostemides, waar ik een uitgeruste en gelukkig opgeknapte Marjan tref. Het is niet leuk om door gezondheidsprobleempjes interessante uitstapjes te missen. Ik ben blij dat het nu toch echt wat beter met haar gaat.

We eten vanavond niet in het hotel maar in Restaurant Tires, waar we gisteren koffie dronken. Als we daar tegen achten arriveren blijkt helaas dat het Belgisch deel van ons gezelschap hier al z'n tenten heeft opgeslagen.

Gelukkig zijn er in deze wijk meerdere eethuizen. Via de restaurants Oasis en Des Voyageurs - in beide schettert de televisie ons tegemoet - en een gelukkig korte ontmoeting met de plakkerd van gisteravond vinden we een rustige en gezellige stek in Restaurant El-Hana. Het eten is er prima. Ik geniet van een voor de verandering eens wat minder vette maaltijd van omelet, tagzit (dat is een vleesbouillon met groente) en karamelpudding na. Marjan doet voorzichtig aan en houdt het deze keer nog maar even bij een kom soep. Het wordt een van de gezelligste maaltijden van de reis. Tegen elven wandelen we terug naar ons hotel. Lees verder ...