
ReisMagazijn > Een rondreis door Algerije
De reis
Vooraf | Verhuizing |
Op weg naar Algerije |
In Algiers | De ruïnes van Tipasa |
In Oran |
Tlemcen
Zandduinen, rotstekeningen en oases |
Langs de Marokkaanse grens | Sleeën in de woestijn
Ontdekkingstocht in Timimoun | Het kerkje van pater De Foucauld |
In de M'Zab-vallei
Door de woestijn naar Touggourt |
Wandeling door de zandduinen | De markt van El Oued
Door het Aures-gebergte | De Romeinse ruïnes van Timgad |
Constantine | De ruïnes van Djemila
Het Lunapark van Setif |
De Apenkloof | Wandeling door Bejaja | Terug naar Zeralda
Vakantie in Sidi Fredj |
Terug naar Nederland |
Naschrift
Eerste pagina van deze reis | De foto's
Zandduinen, rotstekeningen en oases | Langs de Marokkaanse grens | Sleeën in de woestijn
Ontdekkingstocht in Timimoun | Het kerkje van pater De Foucauld | In de M'Zab-vallei
Door de woestijn naar Touggourt | Wandeling door de zandduinen | De markt van El Oued
Door het Aures-gebergte | De Romeinse ruïnes van Timgad | Constantine | De ruïnes van Djemila
Het Lunapark van Setif | De Apenkloof | Wandeling door Bejaja | Terug naar Zeralda
Vakantie in Sidi Fredj | Terug naar Nederland | Naschrift
Eerste pagina van deze reis | De foto's
Zandduinen, rotstekeningen en oases
Woensdag 27 december 1989. Vroeg op. Al om half acht vertrekken we naar Aïn Sefra, de 'gele bron'. Ondanks de vroege ochtendschemering hebben we vanuit de bus een mooi uitzicht op de brede vallei van Tlemcen. De hemel in het oosten boven het Traras-gebergte kleurt felrood en het duurt niet lang of een vaag door de bewolking zichtbare zon stijgt boven de bergen uit.
Geleidelijk aan wordt het landschap kaler. De vruchtbare vallei laten we achter ons. De vegetatie op de vlakte die we nu doorkruisen, is steppe-achtig. De spaarzame dorpen hebben meer een Arabische dan een Franse uitstraling. Het is goed te merken dat we het gebied van de Middellandse Zeekust en de oorspronkelijke Franse invloedssfeer nu achter ons laten.
In het dorp Sebdou een koffiestop. In plaats van met de andere reisgenoten het plaatselijke koffiehuis te 'bestormen', maken Marjan en ik een wandeling door het dorp. Ik krijg nu voor het eerst een beetje het gevoel in een andere cultuur te zijn. Eerdere plaatsen hadden toch nog steeds iets van de vroegere Franse sfeer behouden. Hier is alles 'anders'. Al wandelend bekijken we de kleine winkels, de slager, druk in de weer met een grote homp schapenvlees, de herder die met z'n kudde door het dorpje trekt. Op een afstandje worden wij op onze beurt bekeken door een paar verlegen kinderen.
Verder over de hoogvlakte naar El-Arisha. We rijden langs een groot irrigatiemeer. De woestijn rukt per jaar gemiddeld 250 meter op naar het noorden en de Algerijnen proberen met man en macht dat proces te keren of op z'n minst te stoppen.
Af en toe valt er een klein regenbuitje. De smalle, anderhalf-baans asfaltweg, die recht als een lineaal de vlakte doorsnijdt, is hier en daar flink ondergestoven door het zand. Op verschillende plaatsen zijn wegwerkers met de schop in de weer om de weg berijdbaar te houden. Een spaarzame tegenligger komt ons, in een grote stofwolk gehuld, tegemoet. Voorbij Sebdou stijgt de weg. De vlakte rondom ons verbreedt zich nog wat meer. Het is een zee van roodachtig zand. Her en der staan wat stoppelige graspollen en een enkele gedrongen struik: stille getuigen van één van de ondergrondse waterlopen in dit gebied.
De eerste wat grotere zandduinen verschijnen en we naderen nu snel de Sahara Atlas, eerder een onbeduidende veeg aan de zuidoostelijke horizon, nu een steeds hoger opdoemende bergrug.
Even voor de afslag naar Aïn Sefra passeren we een naamloze 1400 meter hoge berg, een markant punt in de scherp tegen de wolkenlucht afstekende rotspieken van de Atlas. De splitsing zelf biedt een surrealistisch beeld van twee wegen die in een uitgestrekte kale vlakte naar niets schijnen te leiden. Er staat een enkel gebouw. Als we er voorbijrijden blijkt het een restaurant te zijn. De luiken zijn gesloten; er is niemand te zien. Wat een plek voor horeca! Het eerstvolgende teken van leven is een RTV-zender op zonne-energie, een half uur rijden verderop.
Links van de weg bevindt zich een langgerekte uitloper van het Atlasgebergte, de Ksour. De toppen van de roodgekleurde bergen zijn bedekt met een dun laagje sneeuw, een mooi en ongewoon gezicht. Deze uitloper vormt de begrenzing tussen de Traf-vlakte en de Grote Westelijke Erg, een der 'zandzeeën' van de Sahara.
Marjan experimenteert vanuit de rijdende bus met de verschillende belichtingstijden die haar camera biedt. Overbodig om dat vanuit de bus te doen, zo blijkt even later als we halt houden voor een korte stop in dit verlaten land. Het is koud op de steppe. Vanuit het westen naderen donkere regenwolken waarvan sommigen zich al boven de heuvels aan de einder ontladen in een grijze nevel. Er wordt uitgebreid gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de sneeuwbergen vanuit alle standen te fotograferen.
In het volgende plaatsje, Naama, dat 'Struisvogel' betekent, drinken we koffie in een wegrestaurantje. Ik wandel wat rond door het dorpje. Overal wordt getimmerd en gemetseld: het lijkt wel of het hele dorp nog in aanbouw is. Veel interessants is er niet te ontdekken tussen de vele bouwputten. Al snel voeg ik me weer bij het gezelschap.
Nog 40 kilometer naar Aïn Sefra. In de reisgids werden de zandduinen voor Aïn Sefra nogal aangeprezen en inderdaad, er is niets teveel gezegd. De indrukwekkend hoge gele zandduinen steken schitterend af tegen de rode, met sneeuw bedekte bergen. We rijden nu door het Mekter-gebergte. De zon die af en toe door de wolken breekt, geeft het landschap een steeds wisselende aanblik. Het op 1225 meter hoogte gelegen Aïn Sefra zien we pas liggen vlak voordat we het bijna geheel door het zand ingesloten stadje bereiken.
Door het centrum rijdend bereiken we het in Arabische stijl opgetrokken Mekter Hotel. Reusachtige geel-rode zandduinen torenen boven het hotel uit. Het zand komt tot op het terrein van het aan de buitenste rand van de stad gelegen gebouw.
Het duurt even voordat we de sleutel van onze kamers kunnen krijgen. We doden de tijd in de bar. Onze kamer 47, deze keer met een rood plafond, heeft een houten balkon met uitzicht op een wat stoffige en dorre tuin, opgevrolijkt met wat goudsbloemen en afrikaantjes. 't Is een gezellige kamer, die we via een nauw trappenhuis bereiken. Het geheel doet me aan een grote kast denken.
Op een grote binnenplaats treffen we een mooi - en gevuld - zwembad aan; het eerste op de reis. Via deze binnenplaats bereiken we de eetzaal. Het is inmiddels twee uur en we laten ons de lunch, bestaande uit rundvlees met aardappelpuree, salade en een puddinkje na goed smaken.
Direct na de lunch gaan Marjan en ik naar de hoge duinen achter het hotel. Het klimmen gaat zwaar door het mulle zand, maar een dunne harde korst, veroorzaakt door de regen, maakt dat we toch redelijk snel vooruitkomen. Eenmaal boven hebben we een prachtig gezicht op de bergen, de duinenrij en de vallei met Aïn Sefra aan onze voeten. We zijn overigens niet de enigen hier. Een aantal reisgenoten is ons gevolgd, en zo ook een aantal geldwisselaars.
Met de bus maken we vanmiddag nog een tocht in de omgeving. Via Tyout, de eerste palmenoase op deze reis, rijden we naar het 30 kilometer verderop in de bergen gelegen Aïn Ouarka. Het landschap is wild en woest, met veel steile pieken, erosieverschijnselen en door het natuurgeweld van miljoenen jaren terug gekantelde gesteentelagen.
Over smalle bochtige bergwegen zoeken we ons een weg door deze steenwoestenij. Aïn Ouarka ligt in een idyllische vallei. Voor ons ligt een klein meer, omzoomd met riet en palmen. We verbazen ons over de eenden die we hier zien zwemmen. Aan de oostoever ligt een klein dorpje met de voor dit gebied karakteristieke witte huizen. We zien slechts weinig mensen. Ik wandel langs het meer en ontdek daar voorbij een groot keteldal, aan alle zijden met door vulkanische processen in alle kleuren van de regenboog getooide bergen omgeven. Een prachtig gezicht.
Het weer verbetert en steeds vaker breekt de zon door de wolken. De bontgekleurde bergen lichten fel op in haar stralen.
Marjan is langs een andere kant, door een droge rivierbedding, mijn richting opgelopen. Vanaf een uitspringende rotspunt zie ik haar ver vooruit in het keteldal lopen, in de richting van een blauwgroen gekleurde heuvel. Samen met Peter wandel ik naar haar toe. Voorzichtig klimmen we omhoog. De helling is bezaaid met losse stenen. Helaas is er geen tijd om helemaal naar de top te klimmen en te zien wat er aan de andere zijde van de heuvel ligt - een op deze reis meer voorkomend euvel! Dus omlaag maar weer, terug door de op sommige plaatsen wat modderige rivierbedding, naar de bus. Jammer dat we zo'n prachtig gebied maar zo kort kunnen bezoeken.
We rijden terug naar een plek langs de weg, even voor Tyout, waar we prehistorische rotstekeningen bekijken. Deze tekeningen zouden heel indrukwekkend kunnen zijn. Echter, de tekeningen, die een grote religieuze betekenis hebben, zijn gedegradeerd tot een toeristische bezienswaardigheid. En wat nog erger is, onverlaten hebben er afbeeldingen bijgekrast, zodat voor ons leken niet te zien is wat nu echt is en wat niet. Ik vind de aanblik van de vele graffiti op deze plek deprimerend. Wat mensen toch bezielt om zo iets te doen ...
Na een klein stukje met de bus bereiken we de palmentuin van Tyout, een weelderige oase in deze verder zo dorre steenwoestenij. Onvoorstelbaar hoe vruchtbaar het land hier kan zijn, dankzij een paar eigenlijk maar miezerige waterkanaaltjes. We wandelen in de schaduw van hoge palmen langs kleine groentetuintjes. Door de hele tuin ligt een fijn vertakt netwerk van irrigatiekanalen. Hier en daar grazen wat geitjes bij een waterpoeltje; in de verte loopt een man in boernoes, die echter een andere weg kiest zodra hij ons ontwaart. De oase ademt een serene rust, die we in het modernere stedelijke noorden maar al te zeer misten.
Terug in Aïn Sefra zet de bus ons af in het centrum op het grote stadsplein. Marjan en ik wandelen wat rond en nemen een kijkje in de vele winkeltjes en koffiehuizen. Aïn Sefra is een rustig stadje zonder veel bijzondere kenmerken of gebouwen. Op straat wemelt het van de mannen in traditionele kledij, die na gedane arbeid hun vrienden in de koffiehuizen opzoeken. Veel verkeer is er niet, maar dat komt ook doordat de hoofdweg is opgebroken. Het verkeer zal wel om het echte centrum heen worden geleid.
Aïn Sefra is wel een kleurige stad. De huizen in de woonbuurten zijn in verschillende pasteltinten geschilderd, waarbij geel en blauw overheersen. Heeft dat misschien iets te maken met de naam van de stad, die 'gele bron' betekent? De straten zijn omzoomd met bomen, die iets van de wirwar van elektriciteits- en telefoonkabels verhullen. Het stadsplein bestaat uit een aantal tuinen met goudsbloemen. In de schaduw van grote bomen staan bankjes. Een echte ontmoetingsplaats voor de plaatselijke bevolking.
Terug in het hotel ondernemen we nogmaals, nu in gezelschap van de Duitse familie Fürst, Peter, Hans en Mariëtte, een tocht naar de zandduinen. Jammer genoeg valt al vrij snel de schemering in. Behalve het uitzicht op het verlichte Aïn Sefra valt er niet veel meer te zien. We lopen terug naar het hotel, waar het diner al op ons staat te wachten. Kort na het eten gaan we naar bed. Lees verder ...
HetMagazijn