Een rondreis door Algerije, 23 december 1989-14 januari 1990

ReisMagazijn > Een rondreis door Algerije

De reis

Vooraf | Verhuizing | Op weg naar Algerije | In Algiers - De ruïnes van Tipasa | In Oran | Tlemcen
Zandduinen, rotstekeningen en oases | Langs de Marokkaanse grens | Sleeën in de woestijn
Ontdekkingstocht in Timimoun | Het kerkje van pater De Foucauld | In de M'Zab-vallei
Door de woestijn naar Touggourt | Wandeling door de zandduinen | De markt van El Oued
Door het Aures-gebergte | De Romeinse ruïnes van Timgad | Constantine | De ruïnes van Djemila
Het Lunapark van Setif
| De Apenkloof | Wandeling door Bejaja | Terug naar Zeralda
Vakantie in Sidi Fredj | Terug naar Nederland | Naschrift

Eerste pagina van deze reis | De foto's
In Algiers

Zondag 24 december 1989. Heerlijk geslapen. Om zeven uur op. Een half uur later zitten we aan het ontbijt: Regeringsbrood met jam. Gisteravond is afgesproken om acht uur bij de receptie te verzamelen. Voor het eerst zien we nu alle medereizigers. 23 zijn het er, acht Nederlanders, drie Duitsers, twee Zwitsers en tien Belgen.

Tot onze verbazing komt, precies op tijd, een bus voorrijden. Is die voor ons? Na enig heen en weer gevraag - Frans blijft een moeilijke taal! - blijkt dat inderdaad het geval. Dit reisje verloopt wel heel anders dan wij ons hadden voorgesteld. 't Lijkt meer op een Holland International trip dan op de alternatieve reis die wij in gedachten hadden.

Snel wordt de bagage ingeladen en stappen we in de bus. Voor we vertrekken stelt onze gids zich voor: Achmed maakt zijn excuses dat hij er gisteren niet kon zijn, vertelt dat hij eigenlijk ook maar een invaller is - morgen, in Tipasa, zullen we onze echte gids ontmoeten. De chauffeur blijft wel de hele reis bij ons. Zijn naam is Mohammed.

Onze bus, een ouderwetse touringcar, heeft horizontaal in tweeën gedeelde schuiframen, waarvan de kozijnen zich precies op ooghoogte bevinden. 't Is even wennen maar na een paar uur kijken we er automatisch overheen of onderdoor. Gelukkig is er een redelijke airco-installatie aanwezig, want met name onze Belgische vrienden houden van een stevige sigaar op z'n tijd.

Achmed houdt na het vertrek een heel verhaal. Over de bus, de verdere reis en de hotels die we zullen aandoen, Zeralda en de omgeving. We laten het meeste langs ons heen gaan. Ik kan het Frans redelijk volgen (zolang ik maar niet hoef te praten!) maar echt boeiend is z'n verhaal niet. We hebben de reisbrochure immers al gelezen! Ons eerste doel vandaag is Algiers. We rijden dezelfde route als gisteren vanaf het vliegveld. Inmiddels is de zon doorgebroken. Het belooft een mooie, zonnige dag te worden. Door uitgestrekte buitenwijken, met wasgoed behangen flats en industriegebieden rijden we het centrum binnen.

De hoofdstad Algiers is een wereld op zich, met een inwonertal van meer dan twee miljoen. De witte stad aan de baai heet officieel El-Djezair, de naam die emir Bologuin Ibn Ziri aan de stad gaf toen hij haar in 935 stichtte. De stad is genoemd naar de eilandjes die in de baai liggen; El-Djezair betekent in het Arabisch: de eilanden.

De stad heeft een lange geschiedenis. Aanvankelijk was Algiers een havenstad in het rijk van de Ziriden. Later kwam de stad onder heerschappij van de Almohaden. Pas in de tijd van de Almohaden realiseerde men zich dat Algiers een gunstige ligging had als eindpunt van verschillende karavaanroutes. De stad breidde zich steeds meer heuvelopwaarts uit en nam in betekenis toe.

In de zestiende eeuw kwam de stad in Spaanse handen. Om zich van het juk van de Spaanse christenen te bevrijden riep men de hulp in van Turkse kapers, de gebroeders Barbarousse. Die verdreven niet alleen de Spanjaarden, maar brachten Algiers - en bijna geheel Algerije - onder Turks bewind. Dankzij de kaapvaart kende Algiers onder de Ottomaanse heerschappij gedurende drie eeuwen een lange periode van welvaart. Acties van Europese landen om een eind te maken aan de kaapvaart hadden pas in de negentiende eeuw succes. In 1830 zetten de Fransen voet aan wal in Sidi Fredj.

De Fransen hebben een groot deel van de oude stad, de kashbah, door moderne gebouwen vervangen. De stadswallen verdwenen en er verschenen hoge gebouwen langs de havenboulevard. Vervolgens werd de stad uitgebreid over de omliggende heuvels. Tijdens de Franse overheersing bleef de islamitische bevolking voornamelijk in de kashbah wonen. Na de onafhankelijkheid is de stad opnieuw sterk uitgebreid om aan de vele Algerijnen die naar de stad trokken onderdak te kunnen bieden.

Wij stappen uit de bus op een hoog uitzichtspunt in het zuidoosten van de stad. Daar bevindt zich het Gedenkteken voor de Martelaren (van de vrijheidsstrijd in de jaren 1950-'60). Nadat Achmed de geschiedenis heeft uitgelegd, genieten wij van het geweldige uitzicht. Recht voor ons bevindt zich het centrum van Algiers, met de haven en de kashbah. Naar het oosten strekt zich de baai van Algiers uit. Van hier uit is heel goed te zien hoe Algiers tegen de berghellingen is gebouwd. Ook goed te zien is de enorme luchtvervuiling van teveel en te oude auto's, die zich met rokende uitlaat omhoog en omlaag bewegen over de hellende straten. Beneden langs de heuveltop waarop wij staan loopt de spoorlijn die uitmondt in een groot kopstation, evenwijdig aan de grote havenboulevard. Her en der tussen de woonwijken aan de waterkant bevinden zich fabrieken en havenindustrieën.

We stappen weer in de bus en rijden naar het Bardo-Museum voor volkenkunde en prehistorie, gevestigd in een prachtige achttiende-eeuwse villa. De Villa Bardo op zich is al het bezoek waard vanwege het prachtige, kostbare interieur. In het museum bekijken we de oudste menselijke resten die in Algerije gevonden zijn, de 'Atlanticus Mauritanicus-mens', die een half miljoen jaar geleden in deze streken leefde. Ook het skelet van de Touareg-koningin Tin Hina (vierde eeuw v.C.) staat hier tentoongesteld. Het verbod op het exposeren van menselijke overblijfselen dat de laatste jaren in veel westerse landen is ingevoerd, is in Algerije kennelijk niet overgenomen. In andere vertrekken bewonderen we de traditionele klederdrachten, rotstekeningen en een uitgebreide tentoonstelling over de woestijncultuur. Na de rondgang door het museum is het heerlijk zonnen op de binnenplaats van de villa, weelderig begroeid met blauwe regen, palmen en bananenbomen, gegroepeerd rond een klaterende fontein.

Met een gids brengen we een bezoek aan de oude kashbah. In eerste instantie zijn we wat verwonderd dat voor een bezoek van toeristen aan deze wijk een speciale gids en uitgebreide waarschuwingen nodig zijn. Eenmaal in de kashbah zien we dat een en ander toch niet helemaal zonder reden is. Het oogt er heel pittoresk, maar de armoede straalt er vanaf. Her en der wordt wel gewerkt aan herstel (met hulp van de Unesco), maar veel zoden heeft dat nog niet aan de dijk gezet. De kashbah bestaat uit een ingewikkelde wirwar van straatjes, stegen en trappen en telt op het ogenblik ongeveer 80.000 inwoners.

In de smalle kronkelige straatjes die soms zeer steil omhoog of omlaag gaan, is het een drukte van belang. De meeste mensen op straat dragen nog de oorspronkelijke klederdracht. We komen langs veel kleine winkeltjes waar ambachtslieden hun beroep uitoefenen. Her en der zijn koffiehuisjes met, als de breedte van de straat het toelaat, een paar tafels en stoelen buiten. Smalle zijstraten hangen vol met wasgoed en overal spelen kleine kinderen, die hier in groten getale aanwezig zijn. Een koopman met kameel zoekt zijn weg door de menigte, terwijl vanuit een zijstraatje het geklop van de koperslagers weerklinkt. Wat verderop komen we de kleermakers tegen, druk aan het werk achter hun oude Singers. Dergelijke sfeervolle straatbeelden wisselen af met half ingestorte huizen, waar scharminkelige honden tussen de puinhopen hun kostje bijeen scharrelen. Het werk dat de Unesco hier verricht is geen overbodige luxe. Ondanks de grote armoede lijkt de kashbah ons een unieke wijk die de moeite waard is om te behouden.

In het hart van de kashbah bevindt zich het Dar Khadoudja El Amia, een oud paleis uit de zestiende eeuw waar nu het Museum van Volkskunst is gevestigd. Hier bezichtigen we een aantal vertrekken, oorspronkelijk ingericht als verblijf van de dochter van de Bey van Algiers.

Vanaf een dakterras werpen we een laatste blik op de kashbah en de achterliggende havens voordat we vertrekken naar een nabijgelegen restaurant voor de lunch. Om de hoek bij het restaurant bevindt zich aan de Place Cheikh Ben Badis de Ketchaoua Moskee. Je kunt nog zien dat het gebouw in de Franse tijd een christelijke kerk moet zijn geweest. Er wordt net, via grote luidsprekers, opgeroepen tot het gebed.

Via een onooglijk poortje stappen we binnen in een donkere ruimte, die uitkomt in een ruime, Frans aandoende eetzaal, waar we ons direct thuis voelen. Het eten is lekker; een schaapbiefstuk, aardappelen, een eipannekoek met spinazie en yoghurt na. We zitten aan een tafeltje met enkele (Franstalige) Belgen, die hun best doen om Nederlands met ons te praten. Het is gezellig en de tijd vliegt.

Na de maaltijd rijden we over de havenboulevard langs de Middellandse Zeekust. In Noord-Algiers zien we huizen op palen langs het water staan, een onverwacht gezicht.

Over een lange kustweg rijden we naar Tipasa. De industrieterreinen rond Algiers maken plaats voor land- en tuinbouw, met plastic kassen, soms bijna tot aan zee. We rijden langs prachtige, ongerepte zandstranden. Op zestien kilometer afstand van Tipasa gaat landinwaarts een straat naar een 261 meter hoge heuvel met de Kbor er Roumia, de Graftombe van de Christin. Deze laatste benaming is onjuist, want met het christendom heeft dit koepelvormige mausoleum niets te maken. Het is waarschijnlijk de laatste rustplaats van koning Juba II. Deze werd door keuzer Augustus in 29 v.C. tot koning van Numidië benoemd en was getrouwd met de dochter van Cleopatra en Antonius. We maken een wandeling rond het indrukwekkende grafmonument.

De ruïnes van Tipasa

Door naar Tipasa, waar we allereerst de Romeinse ruïnes bezoeken. Tipasa ligt aan de voet van het Chenoua-gebergte. Dankzij de natuurlijke bescherming leefden reeds in de oudheid mensen op deze plaats. De omgeving, gevormd door een prachtig zandstrand met op de achtergrond een grillige steile klifkust met geheimzinnige spelonken, heeft een heel bijzondere sfeer. Tipasa beleefde haar bloeitijd onder Juba II. Hij maakte er een centrum van de Grieks-Romeinse beschaving van. Nadat Rome de streek had ingelijfd, groeide Tipasa uit tot een bloeiende, welvarende stad. Dankzij de kustvorm en de goede verbindingen met het achterland was het een gunstig gelegen haven. De antieke Romeinse stad is dan ook niet voor niets aan de baai gebouwd.

De Romeinse ruïnes vormen nu een groot oudheidkundig openluchtmuseum aan zee, omgeven door een prachtige natuur. De oudste resten dateren uit de tijd van de Feniciërs (vierde tot vijfde eeuw v.C.). Net als in Algiers valt het me op hoe weinig andere toeristen we hier tegenkomen. Via de resten van de grote arena wandelen we naar de hoofdweg van het oude Tipasa, die ons naar de kust voert. Het laatste stuk weg loopt schuin af naar het zandstrand. Links en rechts op de glooiende helling de soms wonderlijk goed bewaard gebleven resten van tempels en villa's. In sommmige huizen liggen zelfs nog de oorspronkelijke mozaiekvloeren en her en der staan grote stenen potten en amfora's. Overal groeit gras en hier en daar zijn muurtjes overwoekerd door planten. Toch kost het me moeite om me te realiseren dat deze ruïnes al zo'n vijf en twintig eeuwen bestaan op dit uitgelezen plekje aan de Middellandse Zee.

Met Marjan wandel ik terug naar het hoger gelegen deel van Tipasa, op zoek naar het forum en het capitool. Prachtig schijnt het zonlicht op onze stille wandeling tussen de bomen door, her en der een fundament, muur of rest van een beeldhouwwerk accentuerend. Op twee inheemse vrouwen en een kind na is het forum leeg. Het is een met grote marmeren tegels geplaveide vlakte ter grootte van een voetbalveld. Gedeelten van de zuilengalerijen zijn nog herkenbaar. We genieten van de rust op deze plek.

Een gesprek met de twee vrouwen komt niet verder dan een vriendelijke wens voor een goede vakantie; zij spreken geen Frans en wij geen Arabisch.

Wat verderop ontmoeten we Dorothée. Samen wandelen we via het forum en de villa's aan de kust over de hoofdweg terug naar de bus. Een korte rit rest ons naar het slechts een kilometer verderop gelegen hotel De la Bai. Het hotel ligt, de naam zegt het al, direct aan het strand en vanaf het balkon van onze kamer kun je zo in het zand springen. De Djebel Chenoua ligt nu vrij dichtbij en is van een onbeduidend bergje in de verte veranderd in een indrukwekkende hoge bergrug.

Onze zeer ruime kamer (nummer 116) heeft deze keer een blauw plafond en, geen overbodige luxe, een brandende verwarming. Het inchecken verloopt soepel. Na ons te hebben opgefrist maken we een wandeling langs het strand en, met Peter, naar het nabijgelegen dorp Tipasa Matares.

Op het terras van een koffiehuis aan de haven drinken we koffie, terwijl de zon langzaam achter de bergen verdwijnt. Samen met twee Belgische reisgenoten zijn we er de enige gasten. Wisselen is een probleem - de cafebaas heeft niet terug van onze grote biljetten - dat met Arabische gastvrijheid wordt opgelost: We krijgen de koffie gratis aangeboden.

Via het dorp wandelen we terug naar het hotel. Het is net tijd voor het gebed, waarvoor met grote luidsprekers, bevestigd aan de minaretten van de moskee, wordt opgeroepen. Nadat de religieuze plichten zijn vervuld wordt het snel druk op straat en in de koffiehuizen. In een winkeltje koopt Peter een pen en bekijken Marjan en ik de mooie kalenders. In de koffiehuizen wordt inmiddels fanatiek gedominood.

De mensen onderweg zijn vriendelijk. De vrouwen op straat groeten alleen Marjan. Vreemde mannen als Peter en ik worden niet aangesproken.

In de eetzaal van het hotel genieten we in gezelschap van Peter en Mariëtte van een lekkere vissoep, kip met walnoten, en taart na. Eindelijk dient nu ook onze 'definitieve' reisgids, Mohammed, zich aan. Na de maaltijd wisselen we geld in het hotel. Samen met de Nederlandse reisgenoten praten we na over deze eerste reisdag. Tegen half elf breekt het gezelschap op - morgenochtend om kwart voor zes moeten we al weer opstaan. Over vakantie gesproken ... Lees verder ...